Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

De satan (samenvatting)

De afgelopen twee en een half jaar zijn in ons Nederlandstalig tijdschrift 12 artikelen gewijd aan de betekenis van ‘de satan’ in het Oude en het Nieuwe Testament. Dat lijkt veel, maar het is bij zo’n controversieel onderwerp beter rustig alle passages te bekijken, dan snelle conclusies te trekken. Gezien deze lange tijd en de vele uitleg, is het begrijpelijk als u het gevoel heeft het overzicht een beetje kwijt te zijn. Het lijkt ons daarom goed, alvorens over te gaan tot de betekenis van ‘de duivel’ in het Nieuwe Testament, een (lange) samenvatting te geven van wat we hebben gevonden over ‘de satan’.

Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament

Satan’ kan in het Hebreeuws zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Het heeft de betekenis van iemand die tegenover je staat, in de zin van een tegenstander (bijvoorbeeld in de strijd) of de tegenpartij in een rechtszaak (vertegenwoordigd door de aanklager). Het woord komt 32 maal voor, waarvan 14 in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het zijn de volgende plaatsen: Als zelfstandig naamwoord: Numeri 22:22; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:22; 1 Koningen 5: 4; 11:14, 23, 25; 1 Kronieken 21:1; Job hoofdstukken 1 en 2 (14x); Psalm 109:6; Zacharia 3 (3x).
Als werkwoord: Psalm 38:20, 71:13, 109: 4, 20, 29; Zacharia 3:1.

Omdat Gods openbaring in het Oude Testament de basis is voor het verstaan van Zijn heilswerk in Christus, zullen we altijd daarin naar de sleutel moeten zoeken voor het verstaan van de taal en boodschap van het Nieuwe Testament.
Wat opvalt bij het lezen van de genoemde passages, is dat er nergens sprake is van een bovennatuurlijke kwade macht. Het tegendeel is eerder het geval.

In het geval van Bileam in Numeri 22 is een engel van Jehovah zijn ‘satan’, die hem letterlijk in de weg staat, tegenhoudt om te doen wat hij (tegen de wil van God in) van plan is te doen. In het geval van koning Salomo in 1 Koningen 11 is er zelfs sprake van meerdere ‘satans: menselijke koningen. In 1 Samuel 29 zien de Filistijnen David als hun mogelijke ‘satan’ als zij willen uittrekken tegen het Israël van koning Saul; dus als iemand die zich tegen hen zou keren als het eenmaal tot een strijd zou komen. In 2 Samuel 19 beschouwt koning David zijn legeraanvoerders als zijn ‘satans’, omdat zij iets willen doen dat tegen Davids rechtvaardigheidsprincipes ingaat. Koning Salomo zegt in 1 Koningen 5 dat er in zijn rijk vrede heerst, omdat zijn vader alle ‘satans’, menselijke tegenstanders, heeft verslagen in de vele oorlogen die hij voerde. In de Psalmen 38, 71 en 109 spreekt David over mensen uit zijn eigen volk die hem haten, zich tegen hem verzetten en zijn leven belagen.

In 1 Kronieken 21 ligt de zaak wat ingewikkelder. Daar staat:

“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan tot …”.

Maar we mogen voor een verklaring hiervan niet zomaar een opvatting uit later tijd toepassen. We moeten die zoeken binnen de normale betekenis van het gebruikte woord, en aan de hand van andere plaatsen in de Bijbel waar meer gezegd wordt over dezelfde gebeurtenis. Nu staat er in de parallelle passage in 2 Samuel 24:1:

“ … Jehovah… zette David tegen hen (Israël) op …”.

Het is aannemelijk dat de tekst in Samuel ouder is dan in Koningen, mogelijk geschreven door de profeet Nathan, die als geen ander wist wat er rond David gebeurde. In ieder geval kan uit de oorzaak – “de toorn van Jehovah tegen Israël” – niet anders worden geconcludeerd dan dat God Zijn volk duidelijk wilde maken dat het op de verkeerde weg was. We hoeven echter die ‘satan’ in 1 Kronieken ook niet zomaar terzijde te schuiven. Want het gebruikte woord is zeker toepasselijk, omdat het ons brengt tot die andere betekenis, namelijk aanklager.

Ds. F.J. Pop schreef in Bijbelse woorden en hun geheim:

‘Het Hebreeuwse woord voor satan wordt gebezigd voor een figuur uit het Israëlitische recht; de vijandig gezinde aanklager van de rechtbank’.

We zien dit in Psalm 109:6, waar het gaat om een menselijke aanklager in een rechtszaak. In Zacharia 3 is ook sprake van een aanklager, maar hier is hij een figuur in een symbolische rechtszaak, die handelt om de vraag of de tempel in Jeruzalem terecht herbouwd wordt. De werkelijke aanklagers zijn bewoners van het land, die bij de Perzisch-Medische koningen de bouw van de tempel proberen tegen te houden. ‘De satan’ vertegenwoordigt in deze zaak de aanklagers. De engel is de pleiter voor Israël. God doet de uitspraak dat Hij wil dat de tempel wordt herbouwd, omdat Hij “Jeruzalem verkiest”.

Dit brengt ons tot het boek Job. Ook hier is sprake van een symbolische zitting. In dit geval moet hierin Gods rechtvaardigheid worden aangetoond inzake de zegeningen die Hij Job schenkt. Uit het gehele boek blijkt dat zelfs zijn vrienden hem ervan beschuldigen zijn rijkdommen op onrechtvaardige wijze te hebben verkregen. De afgunst van mensen brengen hen tot kwade verdachtmakingen. Maar de beschuldigingen zijn er, en Gods rechtvaardigheid eist dat aan het licht komt of beschuldigingen aan het adres van zijn gunstelingen terecht zijn of niet. De rol van ‘de satan’ in dit boek is dan ook de beschuldigingen uit de omgeving van Job onder Gods aandacht te brengen en vervolgens de beschuldigde te beproeven. In het geval van Job wordt alles wat hij heeft verworven van hem afgenomen, om te zien of hij inderdaad – zoals zijn beschuldigers zeggen – God alleen maar dient omdat Hij hem zoveel geeft, of dat hij Hem ook zonder dat alles trouw blijft. Uit het slot van het boek blijkt het ongelijk van zijn vrienden (‘de satan’ wordt niet meer genoemd!).

Job komt uit zijn beproeving met meer geloof en inzicht. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn werk. Want hij staat in Gods dienst om te onderzoeken of er een smet kleeft aan Gods gunstelingen, en vervolgens hen te beproeven zodat zij gelouterd worden en behouden worden in het oordeel.
Interessant is het gevoel van Job geheel alleen te staan; dat God hem heeft verlaten, en hij dus nergens naartoe kan gaan in zijn nood. Daarom vraagt hij om een middelaar, een pleitbezorger. Dit is van groot belang in het Nieuwe Testament, omdat daar duidelijk blijkt dat God die Pleitbezorger heeft gegeven: Jezus Christus.

De betekenis en lading van het woord in het Nieuwe Testament

Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, zullen we daarom aan de hand daarvan de betekenis van ‘de satan’ in het Nieuwe Testament moeten vinden. Voor een onbevooroordeeld onderzoek is het nodig alles te vergeten wat er wordt gezegd over wie en wat ‘de satan’ is en te lezen wat er in het verband met de rest van het verhaal staat.
Voordat we dit doen moet het volgende worden gezegd:

1. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. In de tijd van de heer Jezus en zijn apostelen waren de Hebreeuwse geschriften (ons Oude Testament) al vertaald in het Grieks. Er waren de ‘Septuaginta’ en de zogenaamde ‘Masoretische’ tekst. Het Grieks kent het woord satan niet. Vertalers (we spreken nu over de ‘Septuaginta’) zoeken dan naar een woord dat dezelfde inhoud heeft als het woord in de oorspronkelijke tekst. Daarvoor zijn zij gekomen op diabolos en de werkwoordsvorm daarvan. De inhoud hiervan is: (be)lasteraar, kwaadspreker, aanklager; vijand, hater. En we herkennen hierin wat we in het Oude Testament zagen over ‘de satan’. Opvallend is overigens dat de vertalers in 1 Koningen 11 ‘satan’ onvertaald hebben laten staan.

2. De taal van de Bijbel is heel bijzonder. We vinden er parallellisme, beeldspraak, maar ook personificatie. Dat is iets abstracts voorstellen als een persoon. We zien dat bij de wijsheid in Spreuken, maar ook bij de zonde en de dood in de brieven van Paulus. En zo is het soms ook met het kwaad, dat wordt voorgesteld als een macht die God en Zijn kinderen vijandig gezind is.

3. Ook was het gevaarlijk om in brieven, die meestal door één of meer personen werden gebracht, openlijk te spreken over de concrete vijanden van Christus die de apostelen bedoelden. Daarom gebruikten zij termen die geen bewijs konden vormen bij een aanklacht, maar voor de gelovigen duidelijk waren. In dit verband ‘satan’ als de Romeinse overheid of de Joodse leiders werden bedoeld.

4. Tijdens de eerste ballingschap is er iets veranderd in de opvattingen van velen in Israël. De profeet Jesaja moest hen waarschuwen dat zij zich in de ballingschap niet mochten inlaten met het idee van de Perzen en Meden, dat er een god is die verantwoordelijk is voor het goede (licht) en een god die verantwoordelijk is voor het kwade (duisternis) dat de mens treft. Maar er is maar één God, die zowel het duister als het licht heeft geschapen. Helaas hebben velen in Israël toch het idee van een kwade macht met goddelijke kracht overgenomen. En zo is het ook het latere christendom ingeslopen.

Maar de verantwoordelijkheid voor het kwade dat de mens doet, wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bij de mens zelf gelegd. In de hof wordt het vonnis over de eerste mens uitgesproken, niet over een satan. Jacobus zegt, om het idee te weerleggen dat, als er maar één God is, je Hem verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat een mens doet:

“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”

En dan zou je – naar de opvattingen van veel Joden en het latere christendom – verwachten dat hij dan ‘de satan’ of ‘de duivel’ aanwijst als degene die de mensen verzoekt, verleidt tot zonde. Maar dat is niet het geval! Integendeel:

“zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.”

De vetgedrukte woorden maken samen duidelijk dat hier geen ander wezen tussenpast. Het komt dus niet voort uit een ‘satan’ die zuigt en verlokt, zodat wij gaan begeren, maar uit onszelf. En dat is een boodschap die de meeste mensen niet graag horen, omdat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor onze zonden, en we dus serieuze stappen moeten doen om daarvan verlost te worden. Alleen dan kunnen we, ondanks Gods onherroepelijke doodvonnis over ons, toch bij de komst van Christus opgewekt worden en eeuwig leven ontvangen. En hoe God dat doet vertelt het Nieuwe Testament ons.

Het woord in het Nieuwe Testament

De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften gebruiken het Hebreeuwse woord satan(as) regelmatig: 36 maal. Het woord diabolos, dat de Septuaginta normaal bezigt, gebruiken deze schrijvers echter precies even vaak (wie er een Concordantie op naslaat zal zeggen dat duivel veel vaker voorkomt, maar in onze vertalingen wordt vaak ‘duivel’ gebezigd waar dat in de grondtekst niet het geval is).
Dat kan twee dingen inhouden: ze zijn voor hen synoniem (en we hebben gezien dat dit regelmatig het geval is), of ze hebben een iets andere betekenis of inhoud.

De verleiding is groot ze samen te behandelen – en dat hebben we in de artikelen gedaan als ze in hetzelfde verband werden gebruikt (samen of in een parallelle passage – maar we hebben gekozen voor een systematische aanpak per woord of begrip. En daarom kijken we in de volgende artikelen naar ‘de duivel’ (diabolos).

Het zou te ver gaan om alle passages in het Nieuwe Testament waarin ‘de satan’ wordt genoemd hier op te sommen, laat staan alles wat we geschreven hebben te herhalen. We kunnen slechts in grote lijnen aangeven wie met ‘de satan’ wordt bedoeld. Wat we in de artikelen hebben gedaan is de oudtestamentische betekenis en inhoud toepassen op alle plaatsen in het Nieuwe Testament waar het woord ‘satan(as)’ wordt gebruikt. Dus het gaat altijd om een tegenstander, vijand, tegenpartij, aanklager. Daarna hebben we bekeken wat of wie er in het verband mee wordt bedoeld of kan bedoeld zijn. Dat is de enige legitieme wijze van (consequente) Bijbeluitleg.

Het is eenvoudig vast te stellen dat een deel van het gebruik van het begrip ‘satan’ betrekking heeft op mensen:

a) Petrus staat Jezus in de weg (Mat 16:23, Mar 8:33).

b) Joden en de Romeinse overheid verzetten zich tegen het geloof in Jezus (2 Kor 2:10, 1 Tes 2:18, Op 2:13, 3:9; mogelijk 2 Kor 12:7).

c) Geestelijke tegenstanders en verleiders oefenen invloed uit op de gelovigen in Christus Jezus. In de gelijkenis van de zaaier worden met ‘de satan’ in Marcus 4:15 de schriftgeleerden en Farizeeën bedoeld, die de woorden van Jezus afdoen als van een zondaar of waanzinnige of zelfs bezetene, zodat het geloof in Jezus van de aanvankelijk enthousiaste mensen verdwijnt. Zie verder Rom 16:20, 2 Kor 11:14, 2 Tes 2:9, 1 Tim 5:15, Op 2:9, 24.

Dan is er de toepassing van het principe dat we bij Job vonden: een functie in Gods louteringsproces. Een volgeling van Christus zou zichzelf steeds vragen als deze moeten stellen:

‘waarom doe ik de dingen die ik doe?’; ‘ben ik altijd bereid te spreken en te handelen zoals God wil, en niet zoals ik denk dat het ook wel kan?’; ‘wat zou ik doen als God iets van mij vraagt dat geheel tegen mijn verwachtingen ingaat, waar ik tegenop zie?’.

Want Gods beproeving is gericht op wat wij menen te hebben en waarin wij denken ‘goed’ te zijn. Ook Jezus werd beproefd: wat zou hij doen met de grote gave en beloften die God Hem had gegeven. Hij moest steeds kiezen wat hij zou doen en hoe (Mar 14:36). Zijn motto daarbij was:

“Niet wat ik wil, maar wat U wilt”.

Als Jezus wordt gedoopt, ontvangt hij het grootste dat God kan schenken: Zijn heilige Geest. Daarbij klinkt een stem

“U bent mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen” (Mar 1:11).

Diezelfde Geest dringt hem ertoe naar de woestijn te gaan (vs. 12). Daar doet ‘de satan’ zijn beproevingswerk, zoals we dat bij Job hebben gezien. Daaruit moet blijken of Jezus het inderdaad waard is Gods Zoon genoemd te worden (en God dus rechtvaardig is in Zijn keuze), en hij in staat is het werk te doen waarvoor God hem uitzendt onder Zijn volk.
Want hij mag niet falen! In de woestijn is niets, en Jezus had ook niets bij zich. De overwegingen en aanvechtingen die hij had, kon hij alleen overwinnen door zijn kennis van Gods wil tot zijn leidraad te nemen:

“Staat er niet geschreven …”.

Want dat zou hij ook moeten doen tijdens zijn werk onder een ongelovig volk, dat zijn werk zou afbreken, Hem zou uitdagen, tarten, vernederen, willen doden. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn taak. Hij had de taak Jezus te testen, en hij heeft die glansrijk doorstaan. In de woestijn, tijdens zijn werk onder het volk, en tijdens zijn aanvechtingen in de tuin van Getsemane en aan het stuk hout.

Vergelijkbaar hiermee is wat Jezus zegt tegen zijn discipelen over dat ‘de satan’ hen heeft willen “ziften als de tarwe” (Luk 22:31). Ziften is het ontdoen van kaf en vuil, zodat alleen de tarwekorrels overblijven. Interessant is dat hier voor het eerst ook de taak van middelaar, pleitbezorger, advocaat, van Jezus zichtbaar wordt:

“Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken”.

Zie verder 1 Kor 5:5, 7:5, 1 Tim 1:20. Dus waar Job om vroeg is nu werkelijkheid geworden.
Lukas 13:16 – De vrouw was vanwege haar bloedvloeiing volgens de wet permanent onrein, en kon dus niet deel nemen aan de dienst voor God. Zij stond overal buiten en kende weinig medelijden van anderen. Niemand kon haar genezen en zij was dus een gebondene, een gevangene die vrijgemaakt moest worden van haar uiteindelijk dodelijke ziekte en het al even dodelijke oordeel van de wet. ‘De satan’ vertegenwoordigt hier het principe van de wet, dat streng en onbarmhartig werd gehandhaafd door de uitvoerders daarvan.

Tot slot de misschien op het eerste gezicht wat lastige passages.
Luk 22:3, Joh 13:27 – De woorden

“toen voer de satan in Judas”

zijn het moeilijkst te begrijpen vanuit de huidige denkwereld. Het kan echter niet zo zijn dat hier het hele idee over een bovennatuurlijke ‘satan’ kan standhouden, als overal (na een eerlijke beschouwing) duidelijk is wie of wat er wordt bedoeld.

Ons inzien kan dit worden verklaard vanuit het besef, dat wat Judas deed het ergste was dat hij kon doen: de heer die hem had gekozen om mee te werken aan de bekering van mensen, zodat zij toegang zouden krijgen tot het eeuwige leven, te verraden om een stuk land voor zichzelf te kunnen kopen. In plaats van hem te verdedigen, voor hem te pleiten, wordt hij zijn tegenpartij, zijn vijand. Niet in een opwelling, maar volgens een weloverwogen plan dat hij heeft bedacht.

Vanuit de denkwereld over het kwaad gebruiken de schrijvers dan ook het sterkste woord om die kwade overlegging en die vijandschap ten volle weer te geven. Zie ook Hand 5:3.

Mat 12:26; Mar 3:23,26; Luk 11:18 – Jezus spreekt zijn beschuldigers toe vanuit hun eigen denkwereld. Dat hij het niet eens is met hun ideeën blijkt uit zijn woorden “En indien …”. Maar hij weet dat het geen zin heeft hen aan te spreken op hun verkeerde opvattingen, omdat zij toch niet van mening veranderen. Wat dat betreft is de situatie in onze tijd niet veel anders. Wat Jezus doet is het beste dat hij kan doen: hen erop wijzen dat hij sterker is dan die ‘satan’ waarin velen zo vast geloven. Mogelijk spreekt Paulus in Handelingen 26:18 ook vanuit de denkwereld van zijn luisteraars, omdat hij dat Perzisch dualisme van duisternis en licht gebruikt.

Openbaring 12:9, 20:2 en 7 – ‘De satan’ is hier de personificatie van mensen die Gods kinderen verleiden tot zonde en hen vervolgen. Het hele boek spreekt over wereldse en verkeerde geestelijk invloeden die naar de christenen uitgaan, en de wereldlijke en kerkelijke machten die het voorzien hebben op de ware gelovigen.
Hun invloed en macht komt echter tot een definitief einde bij de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde, bij de komst van Christus (zie ook Luk 10:18).

Nu kan de vraag worden gesteld:

‘maakt het wat uit dat we weten of er een bovennatuurlijke satan is of niet?’

Het antwoord is:

‘welzeker’.

Want God oordeelt ons niet op grond van wat buiten ons is, maar van wat in ons is. Adam en Eva konden de schuld voor wat zij deden niet afschuiven op iets of iemand anders. En zo kunnen en mogen ook wij dat niet, zoals we zagen in de brief van Jacobus. Onze zonden komen voort uit onze eigen begeerten. Heel Jezus’ verlossingswerk is gebaseerd op de overwinning op die begeerten. Wat wij kennelijk niet (volmaakt) kunnen, heeft hij gedaan. God zei tegen Kaïn dat de zonde als een belager aan de deur ligt, maar waarover wij moeten heersen (Gen 4:7). Hoe zouden wij kunnen heersen over een bovennatuurlijke macht? Wij kunnen wel strijden tegen de zonde, door de verkeerde begeerten in ons te verwerpen, zoals Jezus deed. Jezus zegt aan het eind van zijn leven tegen zijn discipelen:

“Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33).

Dus niet ‘de satan’, maar de wereld. En in zijn eerste brief zegt Johannes dat wij hetzelfde moeten doen door ons geloof, evenals de heer in zijn brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Christus heeft zonde (in welke vorm en uiting ook) en de dood overwonnen. Wij moeten het kwade in ons overwinnen door het goede. Met hulp van de heer is dat mogelijk. Daarvoor geeft hij zijn woord en Geest. Dat is Gods heilsboodschap aan ons.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Oorzaak lijden en dood
  2. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  5. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

++

Aanvullend

    1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
    2. De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis
    3. De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer
    4. Bron(nen) van kwaad
    5. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
    6. Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis
    7. Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft en gevolgen van haar keuze
    8. De vrucht van de Ish en Isha
    9. Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord
    10. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
    11. De wereld van onbijbelse leer #3
    12. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
    13. Het Geschreven Woord: draak
    14. De Taal van de Bijbel: De antichrist
    15. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
    16. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
    17. Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
    18. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
    19. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
    20. Gevallen engelen en hun verblijf
    21. Hoe leest u?: Lucifer
    22. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
    23. Is een Demon een op zijn eigen bestaande geest?
    24. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
    25. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
    26. Wie brengt het Kwaad over ons
    27. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
    28. Satan het kwaad in ons
    29. Hoe de Satan vandaag rond toert
    30. Amerikaans-Iraanse voorganger Saeed Abedini plaatst omstreden bericht
    31. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
    32. Doemdenkers en ons lijden
    33. Laatste dagen omroepers
    34. De Dag is nabij #3 Niet laten verrassen
    35. Hedendaagse wonderen geen werk van Satan
    36. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
    37. Wat betreft het “Getal van de duivel”
    38. De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
    39. God meester van goed en kwaad
    40. Gedachte voor vandaag: “God vragen tegen de vijanden op te staan” (03 januari)
    41. Opgeroepen door Jezus
    42. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
    43. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme
    44. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens
    45. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #13 Onbegrijpelijk verkeerde voorstelling door het Wachttorengenootschap #2 Koninkrijk van God

Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

Vrijlating voor gevangenen

Lucas 13:10-17 vertelt de genezing van een vrouw:

“En zie, er was een vrouw, die al achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten”

Jezus geneest haar door zijn handen op haar te leggen, zeggende:

“Vrouw, u bent verlost van uw zwakheid”.

Wat opvalt, is dat hij geen ‘boze geest’ uitdrijft om haar te genezen, en haar ook niet vraagt niet meer te zondigen. Als de overste van de synagoge hem dan verwijt dat hij op sabbat mensen geneest, en de andere aanwezigen blijven zwijgen, vraagt hij hen:

“Huichelaars … moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?”.

Wat bedoelde Jezus hier met ‘de satan’? Een suggestie: als ‘de satan’ de aanklager en beproever is van mensen, zou deze vrouw, net als Job, beproefd kunnen zijn totdat haar verlosser optrad. En toen hij deed wat zij verlangde, kon zij – meer nog dan Job, die alleen maar in hoop naar de toekomst kon kijken – zeggen:

“Ik weet: mijn Losser leeft” (Job 19:25).

De Losser is in Gods heilswerk iemand die een ander loskoopt, vrijmaakt, uit een moeilijke situatie; bijvoorbeeld een weduwe (denk aan hoe Boaz met Ruth trouwt) of een slaaf. De profeet Jesaja moest van God aangeven waaraan de Messias herkend zou kunnen worden. Dé herkenning was dat hij enerzijds een blijde boodschap (= evangelie) zou verkondigen aan ootmoedigen (nederigen van hart) en anderzijds zijn woorden bekrachtigen door daden. Eén van die daden zou zijn:

“voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening van de gevangenis”.

Dat hiermee geen letterlijke gevangenis werd bedoeld – wat kennelijk wel de verwachting van velen in die tijd was – is te zien in het feit dat Jezus tijdens zijn predikingswerk nooit iemand bevrijdde. Integendeel. Het is juist de klacht van Johannes de Doper, dat hij gevangengenomen is en Jezus hem in de cel laat zitten. Hij stuurt nota bene ook nog eens de boden van Johannes terug naar hun meester met de woorden uit Jesaja, dat God hem heeft gezonden

“om aan gevangenen loslating te verkondigen”.

Maar de enige bevrijdingen uit gevangenissen waarvan wij weten, worden in Handelingen vermeld: Eerst worden de apostelen door een engel bevrijd, en later Petrus. De vrijlating van gevangenen heeft daarom in de eerste plaats betrekking op de vrijlating uit de gevangenschap van de zonde en de gevolgen daarvan: ziekte en dood. En dat is wat Jezus, bijvoorbeeld, deed met die krom gegroeide vrouw:

“moest deze vrouw … niet losgemaakt worden van deze band …?”

“de satan doet zich voor als een engel van het licht”

Deze woorden van Paulus worden wel als ‘bewijs’ aangevoerd voor het bestaan van een gevallen engel, die mensen misleidt door zich voor te doen als de Messias. Wij willen echter wijzen op het verband waarin de woorden van 2 Kor 11:15 staan en de conclusie van Paulus. Hij schrijft over mensen die zich voordoen als apostelen, als dienaren van de gerechtigheid. Maar zij prediken een ander evangelie en een andere Jezus, en zijn daarom “bedrieglijke arbeiders”.
Wie waren zij? Vaak tot de gemeente toegetreden Joden, vooral uit de Farizeeën. Dat Paulus hen op het oog heeft, blijkt uit 11:22. Stefanus verwijt de Joodse leiders dat zij zich verzetten tegen de heilige Geest; zij waren dus ‘satans’, tegenstanders van God. Daarom, zo zegt Paulus, zal hun einde zijn naar hun werken (11:15). Geen oordeel over die ‘satan’ die hen misleidde, of over het delen van zijn dienaren in het oordeel over ‘de satan’. ’De satan’ zetelt in Jeruzalem in de vorm van het Jodendom. Degenen die spreken zoals zij zijn die bedrieglijke arbeiders.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser
  2. Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

++

Aanvullend

  1. God meester van goed en kwaad
  2. Niet op vernuftige verzinsels gebaseerd
  3. Hoofdbronnen van afwijkende gedachten
  4. Het Geschreven Woord: Engelen
  5. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
  6. Hoe leest u?: Lucifer
  7. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
  8. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  9. De Zonen van God controverse
  10. Een geïntegreerde benadering van Genesis 6:2 « de zonen van God en de dochters van de mensen »
  11. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  12. Het verkeerd gaan van de mens en God Zijn besluit
  13. Verkondiger Jezus ook de redder
  14. Overdenking: Barmhartigheid wil Ik
  15. De gezindheid van Christus
  16. Het Geschreven Woord: lossing
  17. Tijden van gevangenschap, verbanning en verlossing
  18. Mogen wij geloven in een verlossing
  19. Christus in Profetie #3 De Knecht in Jesaja (3) Gezalfde
  20. Rust vinden onder het juk van Jezus
  21. Verlossing #2 De Bijbelse oplossing

Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

Wegens het toeschrijven aan een boze geest

“zodat wij geen lust tot het kwade zouden hebben”

God had Israël verlaten wegens hun verzet tegen de heilige Geest, en het toeschrijven van de werking van Zijn kracht aan een boze geest. We moeten echter oppassen dat wij genoegzaam zeggen dat dit hun verdiende loon was, zoals in het verleden is gedaan en helaas nog steeds wordt gedaan.

Paulus maakt duidelijk dat wat Israël van Gods oordelen heeft ervaren, is opgeschreven “ter waarschuwing voor ons”,

“zodat wij geen lust tot het kwade zouden hebben” (1 Kor 10:11 en 6).

Zijn persoonlijke waarschuwing aan wie meent rechtvaardig te zijn – zoals eens de Farizeeën deden – is:

“wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valt” (1 Kor 10:12).

Zonde, heerser, regerend door de dood

Alle mensen hebben gezondigd, geen enkele uitgezonderd – behalve Jezus Christus. Daarom zou Gods oordeel over allen terecht zijn. De bedoeling is echter dat we lering trekken uit wat anderen overkomen is, zodat we niet veroordeeld worden.

“gelijk de zonde als koning heerste in de dood”

Jezus’ woorden gaan daarom nog veel verder. De grootste tegenstander van de mens is niet ‘de satan’, maar de dood. Want de zonde kunnen we overwinnen, maar wie zondigt kan aan de dood niet ontsnappen. Paulus beschrijft hem als een heerser:

“Want, indien door de overtreding van de ene (Adam) de dood als koning is gaan heersen …” (Rom 5:17).

De dood is in algemeenheid een gevolg van de zonde; en die wordt óók voorgesteld als een heerser, regerend door de dood:

“gelijk de zonde als koning heerste in de dood” (Rom 5:21).

Wet van Mozes, bediening van de dood

Paulus noemt de wet van Mozes ‘de bediening van de dood’ (2 Kor 3:7).
Want de wet rechtvaardigt niet, maar leert wat zonde en de straf daarop is (Rom 3:20). Maar met Christus’ offerdood en opstanding is alles anders geworden: Paulus schrijft dat hij (Christus)

“de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie” (2 Tim 1:10).

Hoe? Door vrijwillig (want het doodvonnis over Adam was niet op hem van toepassing) het dodenrijk binnen te gaan, en daaruit tevoorschijn te komen met een veranderd lichaam, dat niet meer door de dood overweldigd kan worden. Zo verschijnt hij aan Johannes met de woorden:

“Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk” (Op 1:17,18).

Wat bedoelt Hij met ‘de sleutels van het dodenrijk’ hebben? De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt het zo:

“… opdat hij (Christus) door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel (diabolos), zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren” (Heb 2:14,15).

Toegepast op Jezus’ woorden in o.a. Matteüs 12:29 (“… hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden?”), is hij zelf dus degene die sterker is dan de zonde en de dood.

J.K.D.

Vervolg: Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil
  2. Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden
  3. Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof
  4. Fundamenten van het Geloof 15 De Rechter en zijn oordeel
  5. Fundamenten van het Geloof 16 Het Koninkrijk van God op aarde

++

Aanvullend

  1. Mishpat in het Hebreeuws en in het Grieks #2 sleutelwoord voor crisis, recht, verordening, voorschrift, rechtspraak of vonnis en oordeel
  2. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
  3. De nacht is ver gevorderd 5 Studie 2 Schrik of troost 1 Dagen van Noach
  4. De nacht is ver gevorderd 6 Studie 2 Schrik of troost 2 Sodom en Gomorra
  5. De nacht is ver gevorderd 7Studie 2 Schrik of troost 3 Rachab
  6. De nacht is ver gevorderd 9 Studie 2 Schrik of troost 5 Menselijke politiek of Gods hand

Fundamenten van het Geloof 16 Het Koninkrijk van God op aarde

Photo by Karolina Kaboompics on Pexels.com

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Het Koninkrijk van God zal niet zonder slag of stoot tot stand komen. Psalm 2 toont de toestand in de wereld, wanneer de Koning verschijnt om de macht over de aarde op te eisen: de leiders en machthebbers zullen niet bereid zijn hun posities op te geven. Maar het antwoord van God is duidelijk: vóór de grondlegging van de wereld heeft Hij bepaald wie de Koning daarvan zal zijn!

“Ik heb immers mijn Koning gesteld over Sion, mijn heilige berg…Nu dan, u koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, u richters van de aarde. Dient Jehovah met vreze.” (Psalm 2:6,10-11)

“Buigt u neder voor Jehovah … beef voor zijn aangezicht, u ganse aarde. Zegt onder de volken: Jehovah is Koning, vast staat nu de wereld …” (Ps. 96:9-10).

Omdat God trouw is aan zijn gegeven woord, zal dit Koninkrijk er zeker komen, niet alleen voor Israël maar voor de gehele wereld. Koning Nebukadnezar van Babel had eens een droom, waarin hij zag hoe er een einde zou komen aan zijn rijk en alle rijken na hem, en dat zij plaats moeten maken voor een wereldomvattend koninkrijk. Dit werd gesymboliseerd in een steen die een groot beeld trof en voorgoed verbrijzelde:

“… maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde … zal de God van de hemel een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid.” (Daniël 2)

De regering van Christus Jezus zal tot doel hebben de dan levende sterfelijke mensen te leren, dat de wil van God uiteindelijk door mensen op aarde wordt gedaan, net als engelen die nu doen in de hemel, en hoe zij die wil van God moeten doen. Zo zal niet alleen het gebed Uw Koninkrijk kome worden vervuld, maar ook Gods plan met de schepping van de mens. De toestand van het begin van de schepping, toen de mens in vrede met zijn God op aarde leefde in de Hof, zal worden hersteld:

“Geloofd zij Jehovah God, de God van Israël, die alleen wonderen doet. En geloofd zij Zijn heerlijke Naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de ganse aarde. Amen, ja, amen.” (Ps. 72:18-19; vgl Ps. 57:6 en 12; 108:6; 97:6).

Wanneer dit werkelijkheid is geworden, zal alles goed zijn wat God in het begin gemaakt heeft. Dan zal Christus Jezus de koninklijke macht die hij heeft ontvangen om de aarde te onderwerpen aan God, teruggeven aan Hem die alles geschapen heeft:

“… daarna het einde, wanneer hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want hij moet als koning heersen, totdat hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft … Maar wanneer hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles hem onderworpen is, zal ook de zoon zelf zich aan Hem onderwerpen, die hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.” (1 Korintiërs 15:23-28; vergelijk Genesis 41:37-44)

 

Vraag ter overdenking:

Hoe kan Gods wil nu al geschieden op aarde?

 

Het Vrederijk of 1000-jarige rijk

Dat er een einde komt aan de regeringsperiode van Christus, geeft aan dat zijn rijk een fase is tussen de huidige situatie, waarin de mens meent de dienst uit te kunnen maken, en de uiteindelijke situatie, waarin alleen volmaakte mensen de aarde zullen bewonen. Christus komt uit de hemel op het moment dat alles op aarde zijn gewone gang gaat: de mensen werken, trouwen, voeren oorlog enz.

Zijn komst betekent echter een einde aan de proeftijd voor alle dan levende mensen, die redelijkerwijs op de hoogte zijn van Gods roeping door het evangelie. De heer Jezus stelt dit voor als een moment dat er plotseling overal op aarde mensen verdwijnen van de plek waar zij op dat moment zaten, lagen of stonden (Matt. 24:36-42). Hetzelfde geldt voor de doden: van allen die liggen in het stof van de aarde, zullen alleen zij opstaan die bekend waren met Gods roepstem in zijn evangelie (Joh. 5:25-29). De reden is dat levenden en doden voor Christus moeten verschijnen om uit zijn mond te horen wat hun bestemming zal zijn: wie God hebben gediend, en van Hem en Zijn zoon getuigd, zullen met Christus mogen regeren op aarde (Rom. 5:17; 2 Tim. 2:11-12; Openb. 5:10, 20:4-6, 22:5). Er blijven immers nog heel veel mensen over die gewoon sterfelijk zijn en nog geen kennis hebben van God.

Het zal de taak zijn van degenen die eeuwig leven hebben ontvangen, onder de leiding van Christus, anderen te helpen en te overtuigen God en Zijn zoon te dienen en te gehoorzamen, zodat ook zij eeuwig leven zullen ontvangen aan het einde van zijn koningschap op aarde. Wie zelfs in die periode niet tot geloof gekomen is, zal sterven om nooit meer op te staan (Openb. 20:11-15). Zo zal uiteindelijk al het kwaad in de wereld uitgebannen zijn, en alleen zij overblijven, die waarachtige kinderen van God, naar zijn beeld en als zijn gelijkenis, genoemd kunnen worden. Die tussenperiode wordt in Openbaring de duizend jaren genoemd. Een lange, maar begrensde periode, die zo wordt voorgesteld dat ‘de slang’ haar verleidingswerk niet meer kan doen en de mensen alleen leven onder de invloed van Gods Geest, door de aanwezigheid van Christus en zijn eeuwig levende dienaren. Een periode van grote zegeningen, zoals de mens tot dan toe niet gekend heeft, behalve in de hof (Openb. 22:1-5).

De stad met fundamenten

Gelovigen hebben zich nooit thuis gevoeld in de wereld. Zij zijn als vreemdelingen, die tijdelijk wonen bij andere mensen, zonder gemeenschappelijke grondslag met de huidige samenleving. Van Abraham wordt getuigd dat hij zo’n vreemdeling was (Gen. 17:8, 20:1, 23:4; Hebr. 11:13). Hij was vertrokken uit de welvarende stad Ur naar een land met grote en sterke steden. Maar hij probeerde nooit de veiligheid binnen de muren van één van die steden te zoeken. De reden was dat een stad een samenleving was onder een koning. Zij hadden een levenswijze en gewoonten, die veelal niet pasten bij een dienaar van God. Hij wist dat God er een einde aan zou maken wanneer zij zich niet tot Hem zouden bekeren. Dat had hij ervaren toen Sodom en Gomorra werden verwoest. Daarom zwierf hij liever rond in afwachting van wat God hem op zijn tijd zou geven, dan deel uit te maken van een tijdelijke samenleving. De schrijver van de brief aan de Hebreeën omschreef het zo, dat hij een hemels vaderland verwachtte, een stad met fundamenten, die niet zou wankelen (Hebr. 11:9-16). Deze stad, deze samenleving van mensen van hetzelfde geloof, met dezelfde gezindheid en hetzelfde streven, heeft God van het begin van de schepping in voorbereiding. Jeruzalem had die stad moeten zijn, een plaats waar alle mensen op aarde naar toe zouden kunnen gaan om de Elohim Jehovah God te bidden en te danken. Maar door de zonden van de inwoners is ook deze stad verwoest. In Openbaring wordt echter een geheel andere stad Jeruzalem getoond.

Een door God ingerichte, volmaakte, samenleving op aarde van allen die van Christus eeuwig leven hebben ontvangen, waarin geen enkel kwaad wordt gedaan (Openb. 21:2 -8). Met andere gezagsverhoudingen dan wij nu kennen, voorgesteld als een nieuwe hemel en aarde (Openb. 21:1). In het tweede deel van Openbaring 21 blijkt dat dit Jeruzalem de stad met fundamenten is waar Abraham al naar uitzag (Openb. 21:9-27).

“1  En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde waren voorbijgegaan; en de zee was niet meer. 2 En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuw Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, opgetooid als een bruid, die in feestgewaad haar bruidegom tegemoet wordt gevoerd. 3 En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, Gods woonplaats is bij de mensen, en Hij zal onder hen Zijn hut stichten, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal met hen zijn, als hun God! 4 En God zal alle tranen afwissen van hun ogen, en er zal geen dood meer zijn; noch rouw, noch geween, noch verdriet zal er meer zijn; want de vorige dingen zijn weggegaan. 5 En Hij, Die op de troon zat, zeide: Ziet! Ik maak alles nieuw. Ook zeide Hij tot mij: Schrijf, dat deze woorden waarachtig en getrouw zijn! 6 Nog zeide Hij tot mij: Het is geschied! Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde! Ik zal de dorstigen geven uit de bron van het levende water, om niet. 7 Die overwint, zal dit al ten erfdeel bezitten; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn! 8 Maar ten aanzien van de vreesachtigen, en ongelovigen, en zondaren, en gruweldaders, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en allen die met bedrog omgaan, hun lot is in de poel, die van vuur en zwavel brandt; hetwelk de tweede dood is.

9  En tot mij kwam een van de zeven Engelen, die de zeven schalen hadden gehad, welke gevuld waren met de zeven laatste plagen, en hij sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u de Bruid, de Vrouw van het Lam doen zien. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg; en hij toonde mij de grote stad, het heilig Jeruzalem, neerdalende uit de hemel van God. 11 En zij bezat de heerlijkheid van God, en haar lichtglans was als het allerkostelijkst gesteente, als kristal-Jaspis. 12 En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en bij de poorten twaalf Engelen, en namen daarop geschreven, zijnde die van de twaalf Stammen van de kinderen Israëls. 13 Aan het oosten waren drie poorten, aan het noorden drie poorten, aan het zuiden drie poorten, aan het westen drie poorten. 14 En de muur van de stad had twaalf grondzuilen, en op deze de namen van de twaalf Apostelen van het Lam. 15 En die met mij sprak, had een gouden meetstok, om de stad, en haar poorten, en haar muur te meten. 16 En de stad lag vierkant, zodat haar lengte even groot was als haar breedte; en hij mat de stad met de meetstok op twaalf duizend stadiën; haar lengte, en haar breedte, en haar hoogte waren even gelijk. 17 En hij mat haar muur, honderd vier en veertig ellen, naar mensenmaat, welke die van de Engel was. 18 En haar muur was gebouwd van Jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk. 19 En de grondzeilen van de muur van de stad prijkten met allerlei kostbaar gesteente. De eerste grondzuil was Jaspis, de tweede Saffier, de derde Chalcédon, de vierde Smaragd; 20 De vijfde Sardonix, de zesde Sardius, de zevende Chrysoliet, de achtste Beryl, de negende Topaas, de tiende Chrysopraas, de elfde Hyacinth, de twaalfde Amethyst.

21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, elke poort was uit één parel; en de straten van de stad zuiver goud, als doorschijnend kristal. 22 En ik zag in deze geen tempel, want de Heer, God de Almachtige, is haar tempel, en het Lam! 23 En de stad behoeft geen zon noch maan, om haar te beschijnen; want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar Fakkel! 24 En de volken der verlosten zullen in haar licht wandelen, en de Koningen der aarde hun heerlijkheid en eer in deze inbrengen. 25 En haar poorten worden niet gesloten des daags, want er is daar geen nacht. 26 En de heerlijkheid en eer der volken brengt men daarbinnen. 27 En niets komt daarin, wat ontreinigt, wat gruweldaad of bedrog pleegt; zij alleen, die geschreven zijn in het Boek des levens van het Lam!” (Openbaring 21:1-27 Palm)

De gemeente als voorafschaduwing van het Koninkrijk

De leermeester Jezus leerde zijn volgelingen te bidden dat Gods wil op aarde zal gedaan worden. Maar dit hoeft te wachten totdat Christus komt om het Koninkrijk hier op te richten. Toen hij op aarde leefde was zijn uitgangspunt altijd: Hier ben ik om Uw wil, o God, te doen (Hebr. 10:7). Hij was zo het begin van Gods Koninkrijk op aarde: de eerste mens die volmaakt Gods wil deed, door Hem als zijn Koning te beschouwen. Van zijn volgelingen verwachtte hij dat zij dezelfde gezindheid zouden tonen als hij. Een gezindheid van liefde, barmhartigheid, nederigheid, geduld, vergevingsgezindheid enz.
Een gezindheid die hen anders maakt dan de mensen in de wereld om hen heen. Een gezindheid die niet begrepen wordt en veelal niet gewaardeerd. Daarom vormen zij een gemeenschap met elkaar, met Christus als Hoofd. Een samenleving van broeders en zusters van hetzelfde geloof, die elkaar steunen en voorthelpen om te groeien naar de volmaaktheid. Zo krijgt het Koninkrijk van God nu al gestalte in kleine kringen: gemeenten waarin gelovigen worden opgevoed voor de grote taken die hen wachten bij de komst van Christus; de vertrekpunten van prediking en onderwijs uit Gods woord, om anderen te helpen ook die stap te maken in de nieuwe samenleving. Want daar zullen zij de vrede van God nu al leren kennen, waar anderen moeten wachten tot zijn komst en de oprichting van het Vrederijk.

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 15 De Rechter en zijn oordeel

++

Vindt ook te lezen

  1. Kijk naar verleden, heden en toekomst en zin van het leven
  2. Niet op vernuftige verzinsels gebaseerd
  3. Plan van Genade
  4. Gekoesterde plannen volgens God plan uitgevoerd
  5. Plan van de Goddelijke Maker
  6. Plan van God
  7. Plan van God en wereldvrede
  8. Koninkrijk van God (Belgische Christadelphians)
  9. Focus op het Koninkrijk van God
  10. Koninkrijk van Christus en Koninkrijk van God
  11. Het Koninkrijk Gods is bij u
  12. Heer, leer ons bidden #2 Gods Naam Geheiligd – een Komend Koninkrijk volgens Wil van God
  13. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 3 Gods Koninkrijk kome
  14. Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde
  15. Kracht en koninkrijk van onze God en de autoriteit van Zijn Christus
  16. Jezus van Nazareth #2 De zoon van Maria
  17. Christus winnen, Jehovah vertrouwen
  18. Christus in Profetie #8 De psalmen (2A) De messiaanse koning
  19. Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt
  20. Christus in Profetie #9 De psalmen (3) Van wie er in de Boekrol geschreven staat
  21. Wereld waarheen #1 Terug naar Egypte
  22. De Wederkomst en de eindtijd #1 Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan
  23. De Wederkomst en de eindtijd #2 Blik op de nabije toekomst
  24. De wederkomst en de eindtijd #3 Let op de Vijgeboom
  25. De Wederkomst en de eindtijd #4 De komende toorn
  26. De Wederkomst en de Eindtijd #5 De Verlosser uit de hemel
  27. De Wederkomst en de eindtijd #6 De Dagen van Noach en Lot
  28. De Dag is nabij #8 Overzicht
  29. Laatste dagen omroepers
  30. God Kijkt toe
  31. U God houdt de toekomst in handen
  32. Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde
  33. Christadelfiaanse geloofspunten #8 Boodschap van Jezus wiens vergoten bloed vergeving van onze overtredingen brengt
  34. Christadelfiaanse geloofspunten #12 Evangelie bestaand uit Dingen betreffende het Koninkrijk van God
  35. Christadelfiaanse geloofspunten #13 Koninkrijk van God na vernietiging van wereldse machten gegeven aan Zijn uitverkoren zoon
  36. Christadelfiaanse geloofspunten #17 Koninkrijk van God – Gehoorzamen en ongehoorzamen opgeroepen voor Jezus zijn rechterstoel
  37. Christadelfiaanse geloofspunten #18 Koninkrijk van God – Beloning voor trouw en bestraffing voor ontrouw
  38. Christadelfiaanse geloofspunten #19 Koninkrijk van God en Een Duizendjarig rijk
  39. Christadelfiaanse geloofspunten #21 Missie van het komend Koninkrijk
  40. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme

Rapture

Goed dat ware christenen zich niet laten meesleuren door de vele menselijke fantasieën en zich bouden aan de Bijbel. Die vertelt ons duidelijk wat er met de doden gebeurd en wat er ons te wachten staat bij het einde der tijden.

Door Johan Depoortere “Vervoering, extase”  zo vertaalt het woordenboek “the Rapture,” een begrip uit het jargon van fundamentalistische christenen …

RAPTURE

Fundamenten van het Geloof 14 De komst van Christus in heerlijkheid

Na zijn ophanging aan het stuk hout en opstanding is de Nazarener meesterverteller Jezus Christus naar zijn Vader, in de hemel gegaan. Dit was een vervulling van profetieën in het Oude Testament en van de heer Jezus zelf:

“Aldus luidt het woord van de HERE tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers temidden van uw vijanden …” (Psalm. 110; zie ook Marc. 16:19; Hand. 7:56; Efez. 1:19-23; Kol. 3:1)

“… en zie, met de wolken van de hemel, kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen (God die van eeuwigheid is), en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht.” (Daniël 7:13-14; vergelijk Lucas 19:12)

“Ik (Jezus) vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.” (Johannes 20:17; 3:13; 6:62)

“En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.” (Handelingen 1:9)

Uit Psalm 110 en het boek Daniël blijkt dat zijn hemelvaart, zijn verhoging, zijn verheerlijking, van God komen. De Dienstknecht van God, die zich had vernederd tot de kruisdood, is buitengewoon eerbewijs ten deel gevallen, doordat hij als enige mens naar God in de hemel is gegaan:

“… moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?” (Lucas 24:26; 1 Petrus 1:11)

“En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is
gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de kruisdood. Daarom heeft God
Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen … en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader” (Filippenzen 2:8-11).

“… wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.” (Hebreeën 2:9)

“Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof.” (Openbaring 5:12; vergelijk 1 Petr. 4:11; 2 Petr. 3:18)

De heer Jezus zag met vreugde en verlangen uit naar die dag en vroeg zijn discipelen dat ook te doen:

“Indien u Mij liefhad, zou u zich verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.” (Johannes 14:28)

De apostelen getuigden later overal dat zij de verhoging van de heer tot in de
hemel hadden gezien:

“Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De HERE heeft gezegd tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand … Dus moet ook het ganse huis van Israël zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die u gekruisigd hebt” (Handelingen 2:34-36).

“Hem (Jezus) heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot Leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken.” (Handelingen 5:31; zie ook 2:33)

“… u, die door Hem (Jezus) gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft …” (1 Petrus 1:20-21)

Hij is in de hemel om met zijn Vader te werken aan de toekomst van de aarde en de mensen daarop:

“…Ik ga heen om u plaats te bereiden …” (Johannes 14:2-3)

“Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.” (Efeziërs 4:10)

De belofte is echter dat hij zal terugkeren. Niet op de wijze zoals hij leefde onder zijn volk, met een lichaam van vlees en bloed, maar met de heerlijkheid en de macht die God hem gegeven heeft:

“… wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zijn mag, waar Ik ben”. (Johannes 14:2-3)

“Galilese mannen, wat staat u daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die
van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als u
Hem ten hemel hebt zien varen.” (Handelingen 1:11).

Christenen zijn daarom altijd mensen geweest die op hun Heer wachten. Niet passief maar actief:

“… verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van
onze grote God,en Heiland Christus Jezus …” (Titus 2:13-14; vergelijk ook 1 Tess. 1:9-10 en Hebr. 9:27-28).

“Hebt dus geduld, broeders, tot de komst van de Here! … sterkt uw harten,
want de komst van de Here is nabij.” (Jacobus 5:7-8)

“Omdat u het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten … Ik kom spoedig …” (Openbaring 3:10-11)

“Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Here
Jezus” (Openbaring 22:20).

Zijn komst betekent leven en heerlijkheid voor wie geloven, maar in hen ook
voor de gehele aarde:

“… en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen …” (Mattheüs 24:30-31; Marcus 13:26; Lucas 21:27; zie ook Matth. 16:27; 25:31
-46; Marc. 8:38; Luc. 9:26)

“… het aangezicht van de Here en de heerlijkheid van zijn sterkte, wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn …” (2 Tessalonicenzen 1:9-10)

“Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen … van God en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.” (Romeinen 8:17)

“Wanneer Christus verschijnt … zult u ook met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:4)

“Want de aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de HERE …” (Habakkuk 2:14; vergelijk 2 Korintiërs 4:6)

“Geloofd zij de HERE God, de God van Israël, die alleen wonderen doet. En
geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de
ganse aarde. Amen, ja, amen.” (Psalm 72:18-19; vergelijk Ps. 57:6 en 12; 108:6; 97:6)

 

Photo by Ann H on Pexels.com

Vraag ter overdenking:

Hoe bereidt u zich voor op uw ontmoeting met de Here Jezus Christus?

 

Waakzaamheid

Jezus heeft er vele malen op gewezen dat zijn volgelingen hem moeten verwachten.
Dit is een actief werkwoord, waarmee hij bedoelde dat zij voorbereid
moesten zijn op de dag van zijn komst. Die dag is het finale moment van onze beproeving. Daarna is er geen gelegenheid meer onze behoudenis te bewerken.
Wij moeten daarom leven alsof hij op dit moment kan verschijnen.
In een aantal gelijkenissen voerde hij mensen ten tonele, die actief bezig zijn met werk voor hun heer, of de voorbereidingen van een feest. Zij hebben niets te vrezen voor hem, omdat zij alles
hebben gedaan, overeenkomstig zijn wil. Maar anderen worden daardoor overvallen en zullen niet delen in de beloning en de feestvreugde.
Zijn met klem uitgesproken waarschuwing is daarom:
Waakt! Wees waakzaam!
Ook zijn apostelen hebben daartoe opgeroepen. Zie: Matth. 24:32-51; 25:1-30; Marc. 13:28-37; Luc. 12:35-48; 19:11-27;
21:29-36; 2 Petr. 3:10-14; 1 Joh. 2:28; Openb. 16:15.

J.K.D!

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof

Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede

++

Aanvullende literatuur

  1. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  2. De Verlosser 3 Zijn menselijke kant
  3. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  4. De Knecht des Heren #2 Gods zwaard en pijl
  5. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  6. Enkele kernpunten van het Christelijk geloof
  7. Voorbeeld van hem die zijn leven gaf voor velen
  8. Niemand kijkt uit naar komst van Christus
  9. Overdenking: Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor allen…
  10. Antwoord op Vragen van lezers: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden
  11. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 2 Jezus’ rede op de Olijfberg
  12. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 4 Jezus’ laatste boodschap
  13. Overdenking: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij …” (Op. 22:12)
  14. Houdt aan en houdt vol
  15. Tekenen te herkennen in Tijden der Laatste dagen
  16. Tekenen van de laatste dagen wanneer moeilijke tijden zullen komen

Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof

Photo by Ann H on Pexels.com

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God openbaart Zich als de Heilige, die de zonden niet kan verdragen en deze veroordeelt.
De meeste mensen vrezen God echter niet. Hun denken en doen is gericht op het voldoen aan hun begeerten. Door deze aardse, vleselijke gezindheid is de mens onheilig en een vijand van God geworden.

Rechtvaardiging door geloof

Om mensen met God te verzoenen, heeft Christus Jezus zijn leven gegeven als losoffer. Hierdoor kunnen wij verlost worden van zonde en de schuld die wij daardoor hebben bij God. Maar hoe kan God ons vergeven wanneer Hij geen zonde kan verdragen en daarover toornt?

Hij kan toch niet doen ofwij ze niet gedaan hebben?

Nee, dat is niet in overeenstemming met Zijn rechtvaardigheid! Onze zonden zijn niet te ontkennen en te verbergen. Ze maken ons onrein en ongeschikt voor onze heerlijke bestemming. Wij zijn strafwaardig, maar omwille van Zijn Zoon rekent God ons de zonden niet toe:

“… dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen …” (2 Korintiërs 5:19)

“Zalig zij, van wie ongerechtigheden vergeven en van wie zonden bedekt zijn. Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.” (Romeinen 4:7, Psalm 32:1)

Paulus legt in de brief aan de Romeinen uit, dat God tegenover de onrechtvaardigheid van Adam, de rechtvaardigheid van Christus Jezus stelt. En evenals ons de onrechtvaardigheid van Adam wordt toegerekend door onze verbondenheid met hem in de zonde, wordt ons de rechtvaardigheid van Christus Jezus toegerekend door onze verbondenheid met hem in geloof:

“Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden … opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Christus Jezus onze Here.” (Romeinen 5:12-21)

Met die ene daad van gerechtigheid wordt het offer van de heer Jezus Christus bedoeld. Hij heeft al onze zonden op zich genomen en in zijn lichaam aan de paal gebracht. Zijn offer bekrachtigde het verbond van genade en barmhartigheid dat God met mensen wilde sluiten.

“Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.” (Mattheüs 26:28; vergelijk Ef. 1:7; Kol. 1:14 Luc. 24:47Hand. 5:31; 10:43; 13:38; 26:18)

“Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige vooronrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen.” (1 Petr. 3:18; Rom. 5:7-8)

Daarom is God rechtvaardig, ook al vergeeft Hij ons en reinigt Hij ons van alle zonden die wij deden:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid van God gepleegd waren, had laten geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is” (Rom. 3:23-26)“…

Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn …” (Romeinen 5:9)

Niet toerekenen van zonden wordt in de Bijbel rechtvaardigen genoemd. Hiermee wordt iets geheel anders bedoeld dan het rechtvaardigen van onszelf. Dat is onszelf vrijpleiten met allerlei uitvluchten, zodat wij verkeerde dingen goedpraten (1 Kor. 4:3-5).

“3 Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet. 4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere. 5 Zo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en als dan zal een iegelijk lof hebben van God.” (1Co 4:3-5 STV)

God echter ontkent onze zonden niet, maar ziet of wij oprecht berouw hebben. Op grond van oprecht berouw en bekering rekent Hij ons de zonden niet toe, verleent Hij ons vrijspraak. Bekering is:

ons omkeren op de weg van zonde en dood, om voortaan de weg tot eeuwig leven te gaan door gehoorzaam Gods wil te doen:

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” (1 Joh. 1:9)

“Bekeert u en laat een ieder van u zich dopen op de naam van Christus Jezus, tot vergeving van zonden …” (Handelingen 2:38)

“Maar u hebt u laten afwassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus …” (1 Korinthiërs 6:9-11)

Berouw en bekering tot God komen voort uit geloof in zijn verlossingswerk in Zijn Zoon. In Hem bewijst Hij ons zijn liefde en genade door ons te vergeven:

“Want wij zijn van oordeel dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt …”(Romeinen 3:28-30; 4:1-5; zie Galaten 2:15-16; 3:11 en 24)

“Zo zij u dan bekend … dat door Hem (Christus) u vergeving van zonden verkondigd wordt … wordt ieder, die gelooft, gerechtvaardigd door Hem.”(Handelingen 13:38-39; vergelijk Romeinen 8:33-34)

“Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen tot dezegenade, waarin wij staan …” (Rom. 5:1-2; Tit. 3:7)

Het geloof dat God van ons vraagt om gerechtvaardigd te kunnen worden, is te zien bij Abraham: een rotsvast vertrouwen dat God doet wat Hij belooft, getoond in het doen van wat God van hem vroeg:

“… aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf God eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. Daarom werd het hem gerekend tot gerechtigheid. Echter niet alleen om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.” (Romeinen 4:21-25)

“Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaak op het altaar legde? Daaruit kunt u zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd….” (Jacobus 2: 21-23)

Dit zijn niet door mensen bedachte werken, gedaan op eigen kracht, maar de geloofsdaden die God van ons vraagt. Wie deze rechtvaardigheden, goede werken of gerechtigheid doet, en niet het kwaad van deze wereld, wordt een rechtvaardige voor God genoemd. Een die voor Hem vrij van schuld is en straks bij zijn Zoon zal mogen zijn, wanneer Hij komt in heerlijkheid:

“Maar wanneer een goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven … Geen van de overtredingen die hij begaan heeft, zal hem worden toegerekend.” (Ezechiël 18:21-22; 33:15-16)

“Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Efeziërs 2:10”; zie ook 4:20-24; 5:9 Lucas 1:75)

“Voorts broeders, al wat waar is, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat … breng dat in toepassing.” (Fil. 4:8-9)

“ … dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden (Staten Vertaling: rechtvaardig-makingen) van de heiligen.” (Openbaring 19:6-9; vergelijk Psalm 106:30;1 Johannes 2:28-29; 3:7-10)

J.K.D.

 

Vraag ter overdenking:

Wat is de eerste openlijke daad van gerechtigheid
die God van ons vraagt?

 

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

++

Aanvullend

  1. Betreft de Mens
  2. Voorzieningen voor de keuzes van de mens
  3. Schepper en Blogger God 11 Het Oude en Nieuwe Blog 1 Gericht op één mens
  4. De verbonden – samenvatting
  5. Verlossing #2 De Bijbelse oplossing
  6. Zoenoffer
  7. Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2
  8. Een losgeld voor iedereen 1 De Voorziening van een tweede Adam
  9. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  10. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 5 Toetssteen en steen van aanstoot
  11. Onvergeeflijke zonde en berouw
  12. Twee soorten mensen
  13. Wees gewaarschuwd niet te bestaan in een staat van toom’ah
  14. Zo maar gerechtvaardigd?
  15. Wanneer men geloof gevonden heeft door de studie van de Bijbel moet men werken van geloof verwezenlijken
  16. Zij die Geulah verdienen en tot de uitverkorenen zullen mogen behoren
  17. De aanduiding door Paulus en Jacobus van de werken die wij horen te doen
  18. Een race niet voor de snelste, noch een strijd om de sterkste
  19. Doopsel en bloedvergieten ter vergeving
  20. Verzoening en de gekochte race
  21. Voorbereidingstijd naar Pesach toe
  22. Verzoening en Broederschap 1 Getrouwheid en vergoeding
  23. Verzoening en Broederschap 2 Uit de eigen cocon stappen
  24. Verzoening en Broederschap 4 Deelgenoten in Christus
  25. Je overgevend, sorry zeggend, dat is de enige uitweg uit de diepte
  26. Inkeer – bekering en vergeving
  27. Christadelfiaanse geloofspunten #5 Beloften over Herstelplan
  28. Christadelfiaanse geloofspunten #8 Boodschap van Jezus wiens vergoten bloed vergeving van onze overtredingen brengt

Als de tijd ten einde loopt …… Slechts een klein deel gered

Als de tijd ten einde loopt …… Slechts een klein deel gered

Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u,zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.”(Lukas 13:24, NBG’51)

In Lukas 13:23 lezen we hoe iemand Jezus vraagt:

Heer, zijn er maar weinigen die worden gered? En zijn antwoord is:
“Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.”

Al geeft Jezus geen direct antwoord op de vraag, voor de goede lezer is het zonneklaar wat dat antwoord is:

‘Ja, het zijn weinigen’.

Maar zijn nadruk ligt op de moeite die je moet doen om daartoe te behoren. In de bergrede vinden we dit principe wat uitgebreider:

“Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.” (Matt. 7:13-14).

Hier is het antwoord in elk geval glashelder:

velen zullen de makkelijke maar verkeerde weg volgen, en slechts weinigen de moeilijke maar goede weg.

De brede weg

Dit gaat niet over atheïsten. Ook wie de brede weg bewandelen beschouwen zichzelf als goede volgelingen van hun heer. Nogmaals Lukas en Matteüs:

“Jullie zullen zeggen: We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en u hebt in onze straten onderricht gegeven. Maar hij zal tegen jullie zeggen:
Ik ken jullie niet … Weg met jullie, rechtsverkrachters!” (Luk. 13:26-27).

“(Bij het oordeel) zullen velen tegen mij zeggen:
“Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?”
En danzal ik hun rechtuit zeggen:
“Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Matt. 7:21-23)

Zij zullen er bij het oordeel op wijzen dat zij vertrouwelijke omgang met hem hebben gehad, dat zij tot zijn ‘volk’ behoorden (in hun straten onderricht gegeven), dat zijzelf in zijn naam actief zijn geweest. En het antwoord zal zijn dat zij in werkelijkheid in dat alles tekort zijn geschoten, dat hij hen zelfs nooit gekend heeft. En hij noemt ze wetsverkrachters. Het Grieks is ‘wettelozen’, wat praktisch ‘goddelozen’ betekent.

Het gaat er dus niet om of je ‘lid’ bent van een bepaalde groep (welke dan ook). Behoudenis is er niet op zo’n basis. En ook niet om of je allerlei voorschriften in acht neemt. Natuurlijk: wie (bewust, of alleen maar uit gebrek aan interesse) Gods voorschriften overtreedt, is een zondaar en wordt niet behouden. Maar je kunt dat niet omdraaien en stellen dat wie ze in acht neemt dus ook behouden wordt. Ook niet wanneer je, uit geloofsijver, die voorschriften nog aanvult met allerlei extraatjes. De Farizeeën waren daar goed in, maar kregen daarvoor weinig applaus van Jezus. En het gaat er ook niet om of je allerlei superieure kennis bezit, of een ongeëvenaarde diepte van inzicht. Kennis en inzicht zijn hooguit gereedschappen: je moet ze gebruiken om er iets mee te bereiken. Wie ze niet gebruikt heeft er geen nut van.

De smalle weg

Waar gaat het dan wel om?

Om onze gezindheid, onze mentaliteit, in Bijbelse taal soms aangeduid als onze ‘geest’. Paulus spoort zijn bekeerlingen aan met:

“Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had” (Fil. 2:5).

Het Griekse woord voor ‘gezindheid’ is phronèma, dat duidt op een wijze van denken. De grondbetekenis is ‘plan’ of ‘besluit’, en het is afgeleid van phronis, inzicht. Verwante woorden zijn phronimos, bij zijn verstand, en phroneō, iets van plan zijn, met de bijbetekenis van: dat met alle inspanning willen verwezenlijken. Dit beschrijft een mens die ‘bij zijn volle verstand’ tot een bepaald inzicht is gekomen, op grond van dat inzicht een ideaal voor ogen heeft, en dat ideaal nu met inzet van al zijn vermogens tracht te verwezenlijken. Paulus gebruikt dit begrip regelmatig in zijn brieven, waarbij hij de gezindheid die de mens van nature (‘naar het vlees’) heeft, plaatst tegenover de gezindheid van de gelovige (‘naar de Geest’):

“… die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, dienaar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest.” (Rom. 8:5, NBG’51)

Die gezindheid van de (Heilige) Geest noemt hij enkele verzen verderop achtereenvolgens de gezindheid van God en de gezindheid van Christus. Alleen gebruikt hij daar niet dat woord phronèma, maar het woord pneuma, geest. Vertalers laten zich daarom vaak verleiden dat op te vatten als de Heilige Geest en schrijven het dan met een hoofdletter (in het Grieks staan geen hoofdletters). Maar dan zie je over het hoofd dat Paulus dat woord ‘geest’ vaak gebruikt in precies die zin van mentaliteit, gezindheid:

“U was dood door de misstappen en zonden waarmee u de weg ging van de god van deze wereld … de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn” (Efez 2:1-2).

En die ‘geest’ beschrijft hij dan zo:

“Net als zij lieten ook wij allen ons eens beheersen door onze wereldse begeerten, wij volgden alle zelfzuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander.” (vs 3)

Ook hier gaat het om onze oorspronkelijke menselijke natuur tegenover de ‘gezindheid van Christus’. Zoals hij aan de gemeente te Kolosse schrijft:

“Richt u [phroneō: richt uw gezindheid] op wat boven is, niet op wat op aarde is” (Kol. 3:2).

Voortdurend lezen we dat wij onze natuurlijke, menselijke, wereldse, aards-gezinde mentaliteit moeten vervangen door de gezindheid van Christus. En die ‘gezindheid van Christus’ is dan ofwel de gezindheid die zich richt op (God en) Christus, of de gezindheid die Christus zelf toonde in zijn totale gehoorzaamheid aan de Vader. Of, waarschijnlijker nog: beide.

Die weg gaan

Die neiging dat woord geest op te vatten als Gods Geest i.p.v. als onze gezindheid, is niet alleen maar een verschil in interpretatie van een stukje Grieks. Velen hebben in deze tijd de neiging hun behoudenis te zien als iets dat God aan hen doet zonder veel (of zelfs geheel zonder enige) inbreng van hun kant. Extreem gesteld: je wacht tot God je zijn Geest wil schenken, en als Hij dat doet, ben je wedergeboren, en daarmee behouden. Maar Paulus’ argument is nu juist dat je met inspanning van al je vermogens die gezindheid moet ontwikkelen. Weliswaar heeft Jezus ons daarbij zijn hulp en steun beloofd, en op die hulp mogen we daarom rekenen. Maar hulp betekent toch altijd dat het initiatief bij ons ligt, niet dat een ander het wel voor ons doet. We moeten vóór alles laten zien dat het dienen van God ons hoogste streven is. Want dat was waar Paulus het over had in zijn brief aan de gemeente te Filippi:

“Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die: … degestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en … Zich heeft vernederd en gehoorzaam is geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.”(Fil. 2:5-8, NBG’51)

Hij beschrijft hier niet een gezindheid van lijdzaam afwachten, maar van actief bezig zijn (namelijk met zich dienstbaar te maken aan de Vader), van gehoorzaamheid en van opoffering, tot in de uiterste consequenties. En dat is ook de gezindheid die Jezus voor ogen stond, toen hij het tegenover Nicodemus had over dat wedergeboren worden (Joh 3:3).

Wedergeboren worden

Wedergeboren worden betekent: een zó radicale verandering in je leven aanbrengen dat het lijkt alsof daar een totaal nieuwe mens staat. En dat kan alleen maar betekenen dat je een totaal nieuw streven (phronèma) navolgt, een totaal nieuw doel voor ogen hebt. En ja, hij zegt in dat verband dat je moet worden wedergeboren door de (Heilige) Geest. Want die gezindheid kun je, als mens, uit jezelf niet zomaar ontwikkelen; daar heb je Gods hulp bij nodig. Maar opnieuw: we moeten zelf de eerste stappen zetten, en vervolgens ook op die weg blijven doorgaan.
De smalle weg gaan, betekent, hoe dan ook, dat we die zelf (als hetware te voet!) moeten afleggen, niet dat we kunnen gaan zitten wachten op Gods taxi. Dáár ligt dus ook de oorsprong van Paulus’ denken. In zijn brief aan Efeze schrijft hij (en let ook op de connecties met geest en gezindheid):

“U hebt toch over hem gehoord, u hebt toch onderricht over hem gekregen? Door Jezus wordt duidelijk dat u uw vroegere levenswandel moet opgevenen de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten wordenen dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapenis.” (Efez. 4:21-24).

Die nieuwe mens is wel naar Gods wil geschapen, maar wij moeten die zelf (als een nieuw kledingstuk) aandoen. En wij zelf moeten daartoe eerst onze oude levenswandel opgeven, en die ‘oude mens’ afleggen (uitdoen). En dat moeten we doen met inspanning van al onze vermogens.

Strijdt om in te gaan

Ja, het zijn weinigen die behouden worden. Maar de vraag of het er veel of weinig zouden zijn, was de verkeerde vraag.

De vraag had moeten zijn:

wat moet ik doen om behouden te worden?

En het antwoord daarop was:

“Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen” (NBG’51).

Dat woord strijden heeft niets te maken met oorlog voeren; het beschrijft het deelnemen aan een wedstrijd. Bij wedstrijden is er maar één winnaar: hij die meer heeft gepresteerd dan alle andere deelnemers. Paulus zegt daarover:

“Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen?
Ren als de atleet die wint. Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke.” (1 Kor 9:24-25)

Zijn waarschuwing is niet dat er ook in deze (wed)strijd maar één winnaar zal zijn, maar wel dat alleen zij die hun aller-uiterste best doen zo’n erekrans zullen ontvangen. En daar valt helaas nog altijd niets op af te dingen.

R.C.R.

 

+

Voorgaand

  1. Bijbels geloof en heidense filosofie
  2. Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede
  3. Als de tijd ten einde loopt … De geest van Nimrod
  4. Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Photo by Ann H on Pexels.com

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God beloofde de Verlosser te zijn van wie geloven. In Genesis maakte Hij al duidelijk dat de mens betrokken is bij de tot standkoming van zijn verlossing:

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit (zaad van de vrouw) zal u (slang) de kop vermorzelen en u (slang) zult het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15)

God had voorzien in een nakomeling die een einde zou maken aan de slang, het symbool voor vijandige mensen die Gods kinderen af proberen te houden van eeuwig leven, door hen te verleiden tot zonde. In verband met de gevolgen daarvan deed God een verstrekkende belofte aan Abraham:

“… uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En met uwnageslacht zullen alle volken gezegend worden …” (Genesis 22:16-18)

De apostel Paulus legde in de brief aan de Galaten uit, dat deze beloften aan Abraham in eerste instantie in enkelvoud bedoeld was. Ze hebben betrekking op een bepaalde mens, die uit hem voortkwam:

Christus Jezus (3:16).

Het punt in zijn redenering is, dat ieder mens die in hem gelooft, deel krijgt aan de beloften aan Abraham. Wat betrekking had op de ene mens, Christus Jezus, de ware Zoon van God, krijgt zijn vervulling in veel meer zonen:

“Want u bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus … Indien u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)

Deze beloften werden niet alleen aan het nageslacht van Abraham gegeven, maar ook aan hem persoonlijk. Hij is echter op de door God bepaalde tijd gestorven en tot stof vergaan. Hij is de poort van het dodenrijk (zie Matth.16:16) binnengegaan en is nu in de macht van zijn grootste vijand: de wrede koning dood. Dit houdt in dat God zijn beloften aan hem alleen kan vervullen door hem uit de doden op te wekken (vergelijk Hebr. 11:17-19).

Jezus bewees de noodzaak van de opstanding van Abraham, toen hij wees op het feit dat God in tegenwoordige tijd en niet in verleden tijd tegen Mozes zei, dat Hij de God van Abraham is (Matth. 22:31-33). De belofte aan hem was dat zijn nageslacht de poort van zijn vijanden in bezit zou nemen. In de praktijk van die tijd hield dit in,  dat je de vijand had verslagen en bepaalde wie de stad in mocht en en wie de stad uit moesten gaan. In de belofte aan Abraham betekent het dat de vijanden van God en zijn kinderen zijn verslagen, en dat het beloofde Koninkrijk is gekomen. De nieuwe Koning bepaalt niet alleen wie dat Koninkrijk binnengaan, maar ook het voormalige rijk van koning dood in en uitgaan. De heer Jezus Christus zei over zichzelf:

“… Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik hebde sleutels van de dood en het dodenrijk.” (Openbaring 1:17-18)

Dat hij dood is geweest, houdt in dat hij ook zelf eerst uit de dood bevrijd moest worden:

“… daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft; de dood voert geen heerschappij meer over Hem.” (Romeinen 6:9)

Hij is het domein van de sterkste vijand van de mens binnengegaan en, omdat hij weer levend werd gemaakt door zijn God en Vader, kon hij de poort van binnenuit openen, om allen die in het geloof gestorven zijn en daar machteloos liggen, daaruit te bevrijden. Het beeld van de bevrijding van de ballingen uit Babel, in het boek van de profeet Jesaja, past ook goed bij de verlossing van de zonde en de dood, zoals deze in het NT wordt voorgesteld:

“Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? Maar zo zegt de HERE:

Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit een geweldige … Ik zelf zal uw zonen redden” (Jesaja 49:24-25; vergelijk Mattheüs 12:29).

Hij ‘die in zijn recht is’ was de tiran Nebukadnezar, de koning van Babel. In de brief aan de Romeinen is de tiran van de gelovigen, de dood die als koning is gaan heersen (Romeinen 5:17). Degene die hem heeft bestreden en overwonnen, is Christus Jezus. Hij heeft daarom van de eeuwige God de macht ontvangen mensen te bevrijden uit het dodenrijk, zoals Hij toont bij de opwekking van Lazarus:

“Ik zal u (de Knecht van God) … stellen tot een verbond voor het volk … omtot gevangenen te zeggen: Gaat uit! Tot hen die in de duisternis zijn: Komt tevoorschijn!” (Jesaja 49:8-9; zie ook 42:7 en 61:1)“

… en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen …om verbrokenen heen te zenden in vrijheid. (Lucas 4:19)

“Lazarus, kom naar buiten! … Maakt hem los en laat hem heen-gaan.” (Johannes 11:43-44)

Hij spreekt als een koning tot wie zijn eigendom zijn. Na zijn leven van gehoorzaamheid en kruisdood is hij door God waardig bevonden heer te zijn over al zijn bezit. God gaf hem allen die hij op grond van hun geloof heeft bevrijd uit de macht van de heerser die hij versloeg en als buit meenam:

“Daarom zal Ik hem velen als deel geven en talrijken zal hij als buit ontvangen…” (Jesaja 53:11-12)

Maar vanaf dat moment zijn deze velen geen gevangenen meer, maar tot burgers van zijn Koninkrijk gemaakt. En nu hij bij God in de hemel is, verwachten zij zijn komst met eeuwig leven voor zijn volk:

“Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.” (Filippenzen 3:20-21)

Het is Christus gegeven allen die in hem geloven, in naam van zijn Vader, de enige en waarachtige Verlosser, te bevrijden van de eeuwige vloek van de dood. Hij zal hen door de kracht van God eeuwig leven schenken, door de weg tot de boom des levens, die werd afgesloten door de zonde van de eerste mens, weer te openen.

Niet de dood maar God overwint in Christus:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” (Romeinen 3:23)

“De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning, dood, waar is uw prikkel. De prikkel van de dood is de zonde … Maar God zijdank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.”(1 Korintiërs 15:54-57)

“Wie overwint, hem zal Ik (Christus) geven te eten van de boom des levens…” (Openbaring 2:7)

Dan kunnen de woorden die God sprak na de zonde van de eerste mens, omgedraaid worden:

‘Laat de mens nemen en eten van de boom des levens, opdat hij in eeuwigheid zal leven

 

1ste Vraag ter overdenking:

Hoe is de losprijs betaald om gelovigen te bevrijden van de dood?

2de Vraag ter overdenking:

Op grond waarvan kunnen wij in Christus verlost worden?

 

Christus Jezus en de verhoogde slang

Mozes en de Nehushtan (“Koperslang” of “slang van (het) koper”) aan een kruis, afbeelding uit 1907. – In het verhaal in Numeri 21 staat dat de Israëlieten toen zij tegen JHWH en Mozes ageerden, werden gestraft door giftige slangen. Als zij echter na gebeten te zijn keken naar de bronzen slang, zouden ze niet sterven.

Toen Israël in de woestijn zondigde stuurde God slangen om hen te doden. Wie gebeten was ontkwam niet aan de dood. Maar God trof een voorziening: Mozes plaatste een koperen slang op een paal en wie gelovig daarop de blik richtte, werd verlost van de dood (Num. 21:8-9). Maar niet voor eeuwig.
Jezus vergeleek zijn verhoging aan de houten paal met die van de slang aan de paal. Wie gelovig de blik op hem richt zal voor eeuwig behouden worden, maar wie niet in hem gelooft, is verloren (Joh. 3:14-18)

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Overdenking voor vandaag

++

Aanvullende artikelen

  1. Een goddelijk Plan #4 Beloften
  2. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #1 Abraham de aartsvader
  3. De Verlosser 1 Senior en junior
  4. Verlosser of Messias aangekondigd door Daniël
  5. De Knecht des Heren #4 De Verlosser
  6. Christus in Profetie #2 De Knecht in Jesaja (2) Behoefte aan Verlossing
  7. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  8. Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt
  9. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  10. Zoon van God
  11. Zoon van de levende God
  12. Zoon van God vrijkoper
  13. Zaad van David
  14. Zoon van David
  15. Zoon van God – Vleesgeworden woord
  16. Zoon van God dé Weg naar God
  17. Zoon van God en middelaar
  18. Zoon van God en zijn autoriteit
  19. Zoon van God door God als Zijn geliefde zoon verklaard
  20. Zoon van God geopenbaard
  21. Uw vertroostingen verkwikken mijn ziel
  22. Een lovende ziel voor Hem die troost, geneest, vergeeft, verlost, gaven en recht geeft, rijk aan ontferming
  23. Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof
  24. Uitlopen om uit lichaam te wonen
  25. Aan een betere opstanding deelhebben

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

De Verlosser uit de dood

God heeft in Adam alle mensen onderworpen aan de dood. Want allen hebben zich door hun zonde met Adam verbonden, en delen in het vonnis dat God over hem uitsprak. Sindsdien worden wij allen door de dood gevangen gehouden. Niemand kan aan de dood ontkomen, en niemand kan zichzelf, een goede vriend, of dierbaar familielid, op eigen kracht uit het graf bevrijden. Er is geen mogelijkheid een losprijs of borgtocht te betalen, zodat een gevangene van de dood op vrije voeten komt:

“Niemand kan ooit een broeder (zichzelf) loskopen, noch God zijn losprijs betalen, – te hoog is immers de prijs voor hun leven, voor altijd ontoereikend – dat hij voor immer zou voortleven, de groeve niet zou zien.” (Psalm 49:8-10)

Toch zijn er aan wie geloven beloften gegeven, die nog niet zijn vervuld. En omdat God trouw is aan Zijn gegeven woord, beloofde Hij voor hen een Verlosser te zijn. Wat in dit verband betekent dat Hij hen zal bevrijden uit hun gevangenis, van de ketenen van de dood. In de Bijbel zien we de zekerheid die deze hoop biedt, en de vreugde over dit vooruitzicht dat God geeft:

“Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.”
“Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk …”
(Psalm 42:6 en Psalm 49:16)
“Looft de HERE … die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, die uw ziel verzadigd met het goede …”(Psalm 103:2-5)

Hoewel in een aantal gevallen bedoeld wordt, dat God voorkwam dat iemand stierf (zie bijvoorbeeld Job 33:24 en 28), gaat het in Psalm 49 duidelijk over de verlossing uit de dood (zie vers 14 en 15 voor het verband met het ‘maar’ van vers 16).

“13 (49-14) Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. 14 (49-15) Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. 15  (49-16) Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 16 (49-17) Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;” (Ps 49:13-16 STV)

God is, als de bezitter van inherent onsterfelijk leven, de enige die ons daaruit kan bevrijden (Jesaja 43:11; 45:21; 47:4;63:16).

“Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.” (Jes 43:11 STV)

“Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, de HEERE? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.” (Jes 45:21 STV)

“Onzes Verlossers Naam is HEERE der heirscharen, de Heilige Israëls.” (Jes 47:4 STV)

“Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.” (Jes 63:16 STV)

In Psalm 102 is er een verband tussen gevangenschap en de dood als iets menselijkerwijs onafwendbaars en onherroepelijks, maar waaruit God bevrijdt door de boeien en ketenen van gevangenen los te maken.

Ook in andere psalmen is God de bevrijder van gevangenen:

“De HERE maakt de gevangenen los …” (Psalm 146:8)
“… die gevangenen uitleidt in voorspoed …” (Psalm 68:7)
“… de HERE heeft uit de hemel op aarde geschouwd, om het zuchten van de gevangenen te horen, om de ten dode gedoemden te bevrijden …” (Psalm 102:20-21; zie ook Psalm 79:11)

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

“Banden van de dood hadden mij omvangen … Ach HERE, red mijn leven …Want u hebt mijn leven van de dood gered … Kostbaar is in de ogen van de HERE de dood van zijn gunstgenoten … U hebt mijn banden losgemaakt.” (Psalm 116)

Wanneer God in staat is om te verhinderen dat iemand sterft, dan kan Hij ook bevrijden wie gestorven zijn. In het boek van de profeet Hosea blijkt inderdaad dat God daartoe in staat is:

“Zou Ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van de dood loskopen?” (Hosea 13:14)

De vraag is hier niet of Hij het kan, maar of Hij het wil, gezien de zonden van het volk Israël. Het bevrijdende antwoord is: Ja!
God zal de gelovige bevrijden uit de hand van zijn, en daarmee Gods vijanden, ook van de grootste en machtigste van alle, de dood:

“God staat op, zijn vijanden worden verstrooid … zo vergaan de goddelozen voor Het aangezicht van God. Maar de rechtvaardigen verheugen zich, zij juichen voor het aangezicht van God … die gevangenen uitleidt in voorspoed.” (Psalm 68:2-7)“

“Ja heil en goedertierenheid zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis van de HERE verblijven tot in lengte van dagen” (Psalm 23:6).

Het bewijs dat God de rechtvaardigen niet alleen kan, maar ook daadwerkelijk zal verlossen uit de dood, is te zien in de opwekking tot eeuwig leven van Zijn Zoon. Ook hij kon zichzelf niet bevrijden van de dood; machteloos lag hij in het graf, totdat God hem daaruit bevrijdde. Dit was de vervulling van de belofte, die Hij eeuwen daarvoor had gegeven in profetieën, die op Jezus Christus betrekking hebben:

“Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden … Ik zal hem uitredden en tot ere brengen. Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen …” (Psalm 91:14-16; zie voor verband met Christus Jezus vers 11-12/Luc. 4:10-11)

“11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. 12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.” (Ps 91:11-12 STV)

“10 Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen; 11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.” (Lu 4:10-11 STV)

“Leven vroeg hij van U; U gaf het hem, lengte van dagen voor altoos enimmer.” (Psalm 21:5)

De gevangenschap van de Here Jezus in de dood wordt benadrukt door het feit, dat er na zijn begrafenis een grote steen voor het graf werd gerold, deze werd verzegeld, en er, zoals bij gevaarlijke gevangenen gebruikelijk was, vier soldaten voor het graf werden gezet om het (lees Hem) te bewaken (Mattheüs 27:62-66). Desondanks bleek het graf na enkele dagen leeg te zijn, zonder geschonden te zijn:

“Wat zoekt u de levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt.” (Lucas 24:5-6)

“God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden.” (Handelingen 2:24)

Voor de apostelen was dit de vervulling van profetische woorden van David, die, omdat hij gestorven en begraven is, op iemand anders dan hemzelf betrekking moeten hebben (Handelingen 2:25-32; 13:34-37):

Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet. Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen; want God geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat U uw gunstgenoot de groeve zien.” (Psalm 16:8-11)

Hiermee heeft God een zeer groot werk verricht: voor het eerst werd een mens niet tijdelijk opgewekt uit de doden, om – zoals tot dan toe het geval was geweest – later toch weer te sterven, maar voor eeuwig. De kracht die God gebruikte bij de opwekking tot eeuwig leven van zijn Zoon, zal Hij ook voor anderen gebruiken:

“… hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte van zijn macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand…” (Efeziërs 1:19-20; vergelijk 1 Korintiërs 6:14)

“En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.” (1Co 6:14 STV)

Deze belofte geldt voor wie in dit leven de begeerten van het vlees doden en leven voor God:

“Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont” (Romeinen 8:10-11).

J.K.D.

Photo by Ann H on Pexels.com

Vraag ter overdenking:

Hoe is de losprijs betaald om gelovigen te bevrijden van de dood?

+

Voorgaande

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden

++

Aanvullende lectuur

  1. God is een verhaal #2 Voorgangers niet gediend met een Enige God
  2. Uitspraak van straf over de mens
  3. Dood
  4. Gedachte voor 2 januari 2018
  5. Redding mogelijk voor allen
  6. Reddingsplan
  7. Keuze van levende zielen tot de dood
  8. Betreffende Christus # 2 Goddelijke bron, verband en goddelijk mens
  9. De opgestane Heer
  10. Addendum 1: de leer van de “antichrist”
  11. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #10 Gebed #8 Voorwaarde
  12. Gedachte voor vandaag “Geloof in moeilijke tijden” (14 januari)
  13. God mijn schutting, mijn hoop voor de toekomst