Fundamenten van het Geloof 21. De duivel in het Nieuwe Testament (1)

In de vorige artikelen over het fundament van het geloof hebben de figuur Satan toegelicht.

We zagen dat het Hebreeuwse woord of groep van woorden, dat op vele plaatsen in Bijbelvertalingen vertaald is als de naam Satan, eigenlijk een Bijbelse aanduiding is voor elke tegenstander van de hemelse Vader, Jehovah God. Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, keken we daarom aan de hand daarvan die betekenis van ‘de satan’ naar het gebruik in het Nieuwe Testament.

De duivel in het Nieuwe Testament (1)

De betekenis van woorden

Na alles rond satan te hebben onderzocht, vraagt het begrip duivel onze aandacht. Zoals we al zagen, kent het Aramees/Hebreeuws dit begrip niet. Het komt dan ook niet voor in de geschriften van het Oude Testament.

Toen veel Joden in de Grieks sprekende wereld woonden, werden verschillende Griekse vertalingen gemaakt van de Schriften. De ons meest bekende is de Septuaginta, waarin het woord satan slechts één maal onvertaald werd gelaten (1 Koningen 11:14).

In de meeste andere gevallen werd het vertaald met diabolos. In het (klassieke) Grieks is het soms een wat sterker woord dan satan; maar als we de Oudtestamentische betekenis in gedachten houden, is het geschikt als equivalent. Ook de schrijvers van de Nieuwtestamentische geschriften dachten er kennelijk zo over, want de meeste van hen (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Paulus en Jacobus) gebruiken de begrippen door elkaar. Petrus, Judas en de schrijver van de Hebreeënbrief bezigen alleen diabolos.

Ons probleem is dat wij de oorspronkelijke woorden meestal niet kennen, laat staan hun inhoud en betekenis. Soms heeft een woord in de loop der tijd een zodanig andere inhoud gekregen, en kan zelfs zo beladen geworden zijn, dat we beter het oorspronkelijke woord zouden kunnen gebruiken, om duidelijker voor ogen te hebben waar het om gaat. Dat heeft men al gedaan met satan, en zou ook beter zijn wat betreft daimōn/demonen, en misschien ook wel diabolos. Dan kunnen we uitgaan van wat er staat, en voorkomen we te lezen wat wij erin menen te zien of willen zien. Wij geven nogmaals de betekenis van diabolos en verwante woorden, zoals gebruikt in de Septuaginta:


Verschillen in vertalingen

Bij ons onderzoek naar het begrip duivel stuiten we al direct op een moeilijkheid. Want als we uit zouden gaan van de Statenvertaling, vraagt dit de bestudering van veel meer passages dan wanneer we de NBG’51 of NBV 2004 vertalingen gebruiken. Het gaat hierbij om het begrip daimōn of daimonion. In de Septuaginta is dit de vertaling van twee verschillende woorden in het Hebreeuws, die betrekking hebben op dieren en afgoden. In de Statenvertaling wordt dit woord onbegrijpelijkerwijs een aantal malen vertaald met duivel(en).
De NBG’51 en de NBV 2004 doen dit echter terecht niet. Wat het Nieuwe Testament betreft wordt in de SV consequent het begrip duivel gebruikt voor diamon(ion) en de aanverwante woorden daimoniodes en daimonizomai (op Handelingen 17:18 na, waar ‘goden’ wordt gebruikt). Wat duivel ook moge betekenen, als vertaling voor de hier genoemde woorden is het niet juist. De NBV 2004 bezigt in bijna alle gevallen de vrijwel onvertaalde term demon(en) en in een aantal gevallen bezeten(e). Bezeten(e) met wat in de NBG’51 ‘boze geest(en)’ wordt/worden genoemd. Toch komen we ook in de NBG’51 twee maal duivelen tegen, en wel in Openbaring 16:14 en 18:2, waar het toch echt gaat om demonen, wat dit ook mogen zijn, en niet om diabolos. Een voorbeeld dat vertalers niet altijd letterlijk (neutraal) vertalen, maar ook interpreteren – met het gevaar van het inleggen van eigen opvattingen.

Diabolos in de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus

Vanaf nu beperken we ons tot het enige Griekse woord in het Nieuwe Testament, dat zou kunnen worden weergegeven met duivel: diabolos. Het eerste dat opvalt bij het opzoeken van alle passages waarin diabolos voorkomt, is dat zowel de Statenvertaling, de NBG’51 en De NBV 2004 op drie plaatsen afwijken van het gebruik van duivel. We vinden ze in 1 Timoteüs 3:11, 2 Timoteüs 3:3 en Titus 2:3, waar gesproken wordt van lasteren, kwaadspreken. De vertalers konden daar niet onderuit, omdat Paulus duidelijk spreekt over mensen, vrouwen – en hoewel het consequent zou zijn, kun je vanuit de heersende opvatting over wie de duivel is of wat duivelen zijn, hen moeilijk duivels noemen.
Maar als we die opvatting loslaten, past het woord duivel heel goed bij hen!

Laten we consequent zijn en kijken of het woord op andere plaatsen dezelfde inhoud en betekenis kan hebben. Als we in hoofdstuk 3 van deze eerste brief aan Timoteüs blijven, zien we dat daar in de verzen 6 en 7 ook het woord duivel voorkomt. De eerste vraag is: ‘waarom zou Paulus in vers 11 een vrouw bedoelen en in de verzen 6 en 7 een bovennatuurlijk wezen?’. De tweede vraag is: ‘waarom niet eerst kijken naar wat het meest voor de hand ligt, namelijk of het om hetzelfde gaat?’. De derde vraag is: ‘waar gaat het Paulus om; wat heeft hij voor ogen?’. In vers 7 zegt Paulus dat hij niet wil dat een dienaar van God in opspraak komt. Anders gezegd: een dienaar van God mag niets doen dat mensen buiten de gemeente aanleiding tot kwaadsprekerij en laster geeft over een gelovige of gemeente. Petrus schrijft over het gevaar van verkeerd gedrag van leden van de gemeente:

“zodat door hun schuld de weg van de waarheid gelasterd zal worden” (2 Pet 2:2).

Het gaat bij wat Paulus schrijft aan Timoteüs en in deze brief van Petrus dus om dezelfde gedachte: in het ene geval vrouwen in de gemeente die kwaadspreken over anderen, in het andere mensen buiten de gemeente die kwaadspreken over (leden van) de gemeente.
En als het in twee verzen in dezelfde passage gaat over mensen, is het dan redelijk te stellen dat de duivel vers 6 een kwade bovennatuurlijke macht is?

De werkwoordsvorm peirazo van het Griekse woord peirasmos, heeft de betekenis van testen, beproeven, proberen. Beide worden in de Bijbel gebruikt voor het op de proef stellen van gelovigen. Het ligt aan de bedoeling van de beproever hoe we dat moeten opvatten. Bij goede bedoelingen is het op de proef stellen, om vast te stellen of de ander bruikbaar is en om hem of haar te verbeteren. Dit is hoe God werkt. Hij heeft een positief, levenbrengend doel voor ogen.

Jacobus zegt nadrukkelijk dat God een mens niet verzoekt (Jac 1:13); en de schrijver van de Hebreeënbrief toont mensen die vasthielden aan hun geloof, toen zij op de proef werden gesteld (11:37). Bij kwade bedoelingen is het verzoeking, in de hoop dat de ander zwicht voor de verleiding. Dan is het negatief, dodelijk bedoeld. Toen koning Balak van Moab aan Bileam vroeg hoe hij van de Israëlieten af kon komen

“leerde hij hem de kinderen van Israël een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren” (Op 2:14).

Lucas stelt de komst van schriftgeleerden om Jezus te verzoeken voor als het spannen van een strik, met de bedoeling hem

“te vangen in iets, dat hij zich zou laten ontvallen” (Luc 11:53),

zodat zij hem konden aanklagen. Datzelfde beeld gebruikt Paulus in 1 Timoteüs 3:7

“opdat hij niet in opspraak komt en in een strik van de duivel valt”.

Ook in 2 Timoteüs 2:26 vinden we dit terug. Wat Paulus hier zegt, is het best te begrijpen vanuit wat Petrus schrijft in zijn tweede brief. Hij zegt dat er mensen zijn die gelovigen – “die zich ternauwernood aan degenen die in dwaling verkeren, ontrekken” (2:18) – verleiden tot zonde. Wie toegeeft, zegt hij, is er daarna erger aan toe dan voordat hij of zij tot geloof kwam:

“Wanneer men immers door de kennis van Jezus Christus, onze heer en verlosser, de besmetting van de wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste” (2:20 Petrus Canisius Vertaling).

De duivel waar Paulus over spreekt, moet evenals satan gelezen worden als de belasteraar, (valse) aanklager, de hater, de vijand. En dan valt alles op zijn plaats. In dat licht kan ook 1 Timoteüs 3:6 worden begrepen. Jezus viel in het oordeel of vonnis van ‘de duivel’ – de hem vijandig gezinde Joodse leiders – toen hij erkende dat hij de Christus was:

“Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de godslastering gehoord. Wat dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: Hij is de dood schuldig” (Mat 26:65,66).

Zij hadden hem een strik gezet, en in hun ogen hadden zij hem daar nu in gevangen.

Diabolos in andere brieven

Nu zijn andere uitspraken over ‘de duivel’ niet moeilijk meer te begrijpen. Paulus waarschuwt:

“geef de duivel geen voet” (Efez 4:27).

Dat wil zeggen: Doe en zeg niets dat onze vijanden aanleiding geeft tot laster, smaad of een aanklacht.
En zijn woorden

“Doe de wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel” (6:11),

passen bij het oppassen voor de ‘strik van de duivel’ waar Paulus en Petrus over schrijven. Daarbij kunnen we de oproep van Jacobus voegen:

“biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden” (4:7).

Daar hebben we die ‘wapenrusting’ voor nodig; en wie die gebruikt is zeker van de overwinning. Dit is een weerklank van wat God zei tegen Kaïn, toen hij met moordplannen rondliep:

“indien u niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, maar waarover u moet heersen” (Gen 4:7).

Bij hem ging het om zijn eigen vijandige gedachten (vanuit jaloerse haat) tegen Abel, waardoor hij zich liet verleiden zijn broer te doden. Dus zijn ’ik’, geen vijand van buitenaf, en zeker geen machtige bovennatuurlijke. Want hoe had hij daarover kunnen ‘heersen’?

Voor de gelovigen nu zijn er vaak wel verleidingen van buitenaf: mensen die ons willen laten meedoen met wat gewoon is in de wereld, of ons ‘chanteren’ door te dreigen iets te doen dat voor ons onaangenaam is, als wij Christus willen navolgen en trouw willen zijn aan het woord van de apostelen. Dat is hoe God ons test: kiezen wij voor Hem, of voor een ‘probleemloos’ bestaan nu.

Ook Petrus schrijft de gelovigen dat zij de vijand weerstand moeten bieden:

“Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weerstaat hem, vast in het geloof, wetende dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten” (1 Pet 5:8).

Maar hier gaat het om iets levensbedreigends: vervolging. Hij noemt ‘de tegenpartij’ niet bij name, maar het is duidelijk wie hij bedoelt: de Joden, Herodes, en de Romeinse overheid (zie Hand 4:27). De vijand zoekt de zwakke plekken (‘wie hij kan verslinden’). ‘Weerstaan’ betekent niet ‘met geweld ertegen verzetten’, maar niet toegeven aan hun eisen. Want wie aan vervolging ontkomt door te doen wat de aardse vijand vraagt, wordt een vijand van Christus. De Joodse Raad eiste van de apostelen dat zij zouden ophouden met te spreken over Christus Jezus; maar zij zeiden:

“Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven”.

Zij dreigden hen, maar lieten hen vrij, omdat zij

“geen vorm konden vinden om hen te straffen” (Hand 4:18-21).

Korte tijd later werden zij gegeseld, omdat zij niet zwegen (Hand 5:40). Jezus zegt tegen gelovigen in Smyrna:

“Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt … Wees getrouw tot de dood en ik zal u geven de levenskroon” (Op 2:10).

Het is dus zaak stevig in de schoenen te staan, en vol overtuigd te zijn van de waarheid, zodat we de proef doorstaan.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  2. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  3. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen
  4. Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

 

++

Aanvullend

  1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
  2. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  3. Rosj Hasjana om na te denken wat wij met de wondere schepping van God doen
  4. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
  5. God meester van goed en kwaad
  6. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  7. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  8. Zonde en rekenschap
  9. Zonde en rekenschap
  10. Lucifer
  11. Satan of Duivel
  12. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
  13. Wat betreft het “Getal van de duivel”
  14. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  15. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  16. Gevallen engelen en hun verblijf
  17. Hoe de Satan vandaag rond toert
  18. Satan het kwaad in ons
  19. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  20. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  21. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
  22. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  23. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
  24. Op weg naar het eindstation

Te nemen tijd voor missionering

Photo by Antoni Shkraba Studio on Pexels.com

Zoals u kon lezen in “Whatever it Takes” kan het soms verkeerd lopen met de aandacht die bepaalde predikers stellen in hun werk tegenover hun familie.

Het is niet altijd eenvoudig om het predikingswerk vlot te laten verlopen. Als men jong is, heeft men de besognes om een gezin te stichten, een inkomen te verzekeren en daarnaast dan het werk voor God te doen. Dat werk voor God is een belangrijke taak die elke Christen eigenlijk zou moeten opnemen. Begrijpelijk is wel dat er bepaalde personen meer gewicht in de schaal moeten leggen door een gemeenschap of ‘hun kudde’ te leiden.

De ouderlingen wacht een gewichtige taak, waarbij ze een evenwicht moeten trachten te vinden tussen het werk voor hun geloofsgemeenschap en hun gezin. Nog moeilijker wordt het als er missioneringswerk moet volbracht worden en men als prediker verder van huis moet gaan. Het komt er dan op aan de basis met het gezin niet te vergeten of (erger nog) de gebondenheid met het gezin en de familie te verliezen.

Doorheen de geschiedenis kan men wel predikers vinden die gesteund werden door hun kerk of congregatie en zo naast dat predikingswerk geen ander werk moesten doen om te overleven. Bij Bijbelstudenten, Bijbelvorsers en o.a. Christadelphians wordt er niemand betaald om mee te helpen aan de opbouw van de geloofsgemeenschap. De prediker moet zelf voorzien in zijn eigen inkomen en in de mogelijkheid te prediken in de eigen gemeenschap of verder weg. Veelal vindt men bij de jongeren dan liefhebbers die vrijwillig naar ergens trekken om daar bijbelstudie te geven en mee te werken aan de opbouw van een geloofsgemeenschap. Dat vrijwilligerswerk is een zeer belangrijk onderdeel van het missioneringswerk.

Ook ik herinner mij nog hoe ik eerst als gewone gelovige de diensten volgde, maar hoe ik op latere leeftijd (als twintiger) na mijn taken in het ballet op bezoek ging bij hulpbehoevenden in de sociale woonblokken in London. Op die wijze kon ik ook bijdragen aan de verspreiding van het geloof, naast het zelf rijper worden in het geloof door het volgen van de diensten in onze kerk.

Verder doorgroeiend in het geloof kreeg ik meer verantwoordelijkheden totdat ik verantwoordelijk werd voor de Lage Landen en mij dan ook alsmaar meer ging toeleggen in het verspreiden van het geloof. Hierbij kan ik slechts mijn dankbaarheid getuigen aan mijn echtgenote die het mogelijk maakte dat ik de tijd buiten mijn ‘inkomenswerk’ ook verder kon gebruiken voor geestelijk werk.

Mooi is het als de echtgenote er mee kan voor zorgen dat manlief voldoende tijd krijgt om zijn predikingswerk voor te bereiden en als hij zich door de ontheffing van huistaken zich kan concentreren op het geestelijk werk. Daarnaast zal hij natuurlijk ook moeten voorzien dat er geld in het laatje komt om het gezin onderdak en eten te geven.

Iemand die sterk geloof in God en Zijn zoon heeft, wil liefst anderen overtuigen van de noodzaak om ook voor God te kiezen. Maar dat mag niet ten koste gaan van anderen. Het is fijn moesten we met ons predikingswerk de goal kunnen bereiken die we voorop stellen. Maar daar moeten we geduldig zijn en uitkijken dat we steeds op een juist pad blijven vol respect naar de familieleden en vrienden toe.

In het vorige artikel over “Wat het ook moge vergen” (Whatever it Takes) konden we zien hoe zelfs zeer grote en belangrijk predikers de draad ook durfden verliezen. De zeer populaire Billy Graham viel vermoedelijk in de val van de roem en legde zich volledig toe op zijn preken waarmee hij duizenden toehoorders wist mee te bekoren. Maar voor zijn eigen gezin en zijn eigen opgroeiende kinderen leek hij toch niet voldoende aandacht te schenken.

Aan de andere kant kunnen we bij betaalde predikers merken dat zij hun broodheer meer kwamen te dienen dan God. Zij gaven of geven er niet om om voor hun missionering te doen slagen, de mensen te paaien met het opnemen van hun eigen gebruiken of tradities. Zo kunnen we bij de Katholieke Kerk zien dat zij met hun missiewerk de gewoonte heeft om van de gebruiken en gewoonten van de mensen tot wie ze prediken, datgene te nemen wat ze graag hebben en daaraan een nieuwe uitleg geven, zogenaamd in het licht van de leer van Christus. Zo werden in vele streken heidense zaken van „een nieuwe uitleg” voorzien en mee opgenomen in hun geloofsbeleving. Daarmee willen ze het voor God en Christus Jezus tot iets aanvaardbaars maken, dat natuurlijk nooit zo zal zijn.

Al in de eerste eeuw van de gewone tijdrekening rees er een probleem aangaande religieuze gewoonten. Joden die christenen werden, hadden vóór hun bekering „de periodieke feesten van Jehovah” in acht genomen (het Pascha, Pinksteren en het Loofhuttenfeest), waarop zij zich, naar hun geboden was, ’voor het aangezicht van Jehovah hadden verheugd’ (Lev. 23:2, 40). Zelfs deze vieringen dienden echter volgens verscheidene Christelijke gemeenschappen niet te worden voortgezet (Gal. 4:9-11), hoezeer ze ook door Jehovah waren ingesteld. Hoeveel te meer zullen christenen zich dan niet van heidense vieringen onthouden!

Het is niet slecht dat predikers of missionarissen niet afhankelijk zijn van een broodheer die hun leerregels oplegt, en die ook wel eens ver kunnen afwijken van de Bijbelse leer. Zij die willen missioneren moeten dan ook alles in het werk stellen om volledig die Bijbelse leer te volgen en onderwijzen.

 

+

Voorgaande

  1. Bij de opheffing van de Vereniging voor Bijbelstudie
  2. Jongmense wil nie meer sit en luister nie

 

Vindt ook te lezen

  1. Elke dag die er bij komt
  2. Heel wat onbetaalde jobs hebben mijn pad gekruisd
  3. Het belangrijkste dat is uitgevonden sinds ik ben geboren
  4. Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën
  5. Om de noodzakelijke prediking te verwezenlijken
  6. Andere aanpak in de organisatie van de diensten # 3
  7. Als broeders en zusters samen op weg voor een nieuw jaar
  8. Op weg naar 2014-2015
  9. Communicatie noodzakelijk voor groei in Ecclesia
  10. Vele jaren om mensen via nieuwsfeiten bewust te maken over de belangrijkheid van de erkenning van Jezus als koning van het Komende Koninkrijk
  11. Na honderd jaar een nieuw begin in Brussel
  12. Opkomend voor Christus #4 Wereldwijde prediking
  13. Verspreiders van het woord
  14. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #3 Verkondigen van het Goede Nieuws
  15. Is uitleg over christadelphians op Katholieke website correct
  16. Vergeten predikers van het Goede Nieuws
  17. Predikings werk met goede moed steeds kunnen verwezenlijken
  18. Redenen om samen te komen
  19. Als schapen midden onder de wolven

Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

De satan (samenvatting)

De afgelopen twee en een half jaar zijn in ons Nederlandstalig tijdschrift 12 artikelen gewijd aan de betekenis van ‘de satan’ in het Oude en het Nieuwe Testament. Dat lijkt veel, maar het is bij zo’n controversieel onderwerp beter rustig alle passages te bekijken, dan snelle conclusies te trekken. Gezien deze lange tijd en de vele uitleg, is het begrijpelijk als u het gevoel heeft het overzicht een beetje kwijt te zijn. Het lijkt ons daarom goed, alvorens over te gaan tot de betekenis van ‘de duivel’ in het Nieuwe Testament, een (lange) samenvatting te geven van wat we hebben gevonden over ‘de satan’.

Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament

Satan’ kan in het Hebreeuws zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Het heeft de betekenis van iemand die tegenover je staat, in de zin van een tegenstander (bijvoorbeeld in de strijd) of de tegenpartij in een rechtszaak (vertegenwoordigd door de aanklager). Het woord komt 32 maal voor, waarvan 14 in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het zijn de volgende plaatsen: Als zelfstandig naamwoord: Numeri 22:22; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:22; 1 Koningen 5: 4; 11:14, 23, 25; 1 Kronieken 21:1; Job hoofdstukken 1 en 2 (14x); Psalm 109:6; Zacharia 3 (3x).
Als werkwoord: Psalm 38:20, 71:13, 109: 4, 20, 29; Zacharia 3:1.

Omdat Gods openbaring in het Oude Testament de basis is voor het verstaan van Zijn heilswerk in Christus, zullen we altijd daarin naar de sleutel moeten zoeken voor het verstaan van de taal en boodschap van het Nieuwe Testament.
Wat opvalt bij het lezen van de genoemde passages, is dat er nergens sprake is van een bovennatuurlijke kwade macht. Het tegendeel is eerder het geval.

In het geval van Bileam in Numeri 22 is een engel van Jehovah zijn ‘satan’, die hem letterlijk in de weg staat, tegenhoudt om te doen wat hij (tegen de wil van God in) van plan is te doen. In het geval van koning Salomo in 1 Koningen 11 is er zelfs sprake van meerdere ‘satans: menselijke koningen. In 1 Samuel 29 zien de Filistijnen David als hun mogelijke ‘satan’ als zij willen uittrekken tegen het Israël van koning Saul; dus als iemand die zich tegen hen zou keren als het eenmaal tot een strijd zou komen. In 2 Samuel 19 beschouwt koning David zijn legeraanvoerders als zijn ‘satans’, omdat zij iets willen doen dat tegen Davids rechtvaardigheidsprincipes ingaat. Koning Salomo zegt in 1 Koningen 5 dat er in zijn rijk vrede heerst, omdat zijn vader alle ‘satans’, menselijke tegenstanders, heeft verslagen in de vele oorlogen die hij voerde. In de Psalmen 38, 71 en 109 spreekt David over mensen uit zijn eigen volk die hem haten, zich tegen hem verzetten en zijn leven belagen.

In 1 Kronieken 21 ligt de zaak wat ingewikkelder. Daar staat:

“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan tot …”.

Maar we mogen voor een verklaring hiervan niet zomaar een opvatting uit later tijd toepassen. We moeten die zoeken binnen de normale betekenis van het gebruikte woord, en aan de hand van andere plaatsen in de Bijbel waar meer gezegd wordt over dezelfde gebeurtenis. Nu staat er in de parallelle passage in 2 Samuel 24:1:

“ … Jehovah… zette David tegen hen (Israël) op …”.

Het is aannemelijk dat de tekst in Samuel ouder is dan in Koningen, mogelijk geschreven door de profeet Nathan, die als geen ander wist wat er rond David gebeurde. In ieder geval kan uit de oorzaak – “de toorn van Jehovah tegen Israël” – niet anders worden geconcludeerd dan dat God Zijn volk duidelijk wilde maken dat het op de verkeerde weg was. We hoeven echter die ‘satan’ in 1 Kronieken ook niet zomaar terzijde te schuiven. Want het gebruikte woord is zeker toepasselijk, omdat het ons brengt tot die andere betekenis, namelijk aanklager.

Ds. F.J. Pop schreef in Bijbelse woorden en hun geheim:

‘Het Hebreeuwse woord voor satan wordt gebezigd voor een figuur uit het Israëlitische recht; de vijandig gezinde aanklager van de rechtbank’.

We zien dit in Psalm 109:6, waar het gaat om een menselijke aanklager in een rechtszaak. In Zacharia 3 is ook sprake van een aanklager, maar hier is hij een figuur in een symbolische rechtszaak, die handelt om de vraag of de tempel in Jeruzalem terecht herbouwd wordt. De werkelijke aanklagers zijn bewoners van het land, die bij de Perzisch-Medische koningen de bouw van de tempel proberen tegen te houden. ‘De satan’ vertegenwoordigt in deze zaak de aanklagers. De engel is de pleiter voor Israël. God doet de uitspraak dat Hij wil dat de tempel wordt herbouwd, omdat Hij “Jeruzalem verkiest”.

Dit brengt ons tot het boek Job. Ook hier is sprake van een symbolische zitting. In dit geval moet hierin Gods rechtvaardigheid worden aangetoond inzake de zegeningen die Hij Job schenkt. Uit het gehele boek blijkt dat zelfs zijn vrienden hem ervan beschuldigen zijn rijkdommen op onrechtvaardige wijze te hebben verkregen. De afgunst van mensen brengen hen tot kwade verdachtmakingen. Maar de beschuldigingen zijn er, en Gods rechtvaardigheid eist dat aan het licht komt of beschuldigingen aan het adres van zijn gunstelingen terecht zijn of niet. De rol van ‘de satan’ in dit boek is dan ook de beschuldigingen uit de omgeving van Job onder Gods aandacht te brengen en vervolgens de beschuldigde te beproeven. In het geval van Job wordt alles wat hij heeft verworven van hem afgenomen, om te zien of hij inderdaad – zoals zijn beschuldigers zeggen – God alleen maar dient omdat Hij hem zoveel geeft, of dat hij Hem ook zonder dat alles trouw blijft. Uit het slot van het boek blijkt het ongelijk van zijn vrienden (‘de satan’ wordt niet meer genoemd!).

Job komt uit zijn beproeving met meer geloof en inzicht. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn werk. Want hij staat in Gods dienst om te onderzoeken of er een smet kleeft aan Gods gunstelingen, en vervolgens hen te beproeven zodat zij gelouterd worden en behouden worden in het oordeel.
Interessant is het gevoel van Job geheel alleen te staan; dat God hem heeft verlaten, en hij dus nergens naartoe kan gaan in zijn nood. Daarom vraagt hij om een middelaar, een pleitbezorger. Dit is van groot belang in het Nieuwe Testament, omdat daar duidelijk blijkt dat God die Pleitbezorger heeft gegeven: Jezus Christus.

De betekenis en lading van het woord in het Nieuwe Testament

Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, zullen we daarom aan de hand daarvan de betekenis van ‘de satan’ in het Nieuwe Testament moeten vinden. Voor een onbevooroordeeld onderzoek is het nodig alles te vergeten wat er wordt gezegd over wie en wat ‘de satan’ is en te lezen wat er in het verband met de rest van het verhaal staat.
Voordat we dit doen moet het volgende worden gezegd:

1. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. In de tijd van de heer Jezus en zijn apostelen waren de Hebreeuwse geschriften (ons Oude Testament) al vertaald in het Grieks. Er waren de ‘Septuaginta’ en de zogenaamde ‘Masoretische’ tekst. Het Grieks kent het woord satan niet. Vertalers (we spreken nu over de ‘Septuaginta’) zoeken dan naar een woord dat dezelfde inhoud heeft als het woord in de oorspronkelijke tekst. Daarvoor zijn zij gekomen op diabolos en de werkwoordsvorm daarvan. De inhoud hiervan is: (be)lasteraar, kwaadspreker, aanklager; vijand, hater. En we herkennen hierin wat we in het Oude Testament zagen over ‘de satan’. Opvallend is overigens dat de vertalers in 1 Koningen 11 ‘satan’ onvertaald hebben laten staan.

2. De taal van de Bijbel is heel bijzonder. We vinden er parallellisme, beeldspraak, maar ook personificatie. Dat is iets abstracts voorstellen als een persoon. We zien dat bij de wijsheid in Spreuken, maar ook bij de zonde en de dood in de brieven van Paulus. En zo is het soms ook met het kwaad, dat wordt voorgesteld als een macht die God en Zijn kinderen vijandig gezind is.

3. Ook was het gevaarlijk om in brieven, die meestal door één of meer personen werden gebracht, openlijk te spreken over de concrete vijanden van Christus die de apostelen bedoelden. Daarom gebruikten zij termen die geen bewijs konden vormen bij een aanklacht, maar voor de gelovigen duidelijk waren. In dit verband ‘satan’ als de Romeinse overheid of de Joodse leiders werden bedoeld.

4. Tijdens de eerste ballingschap is er iets veranderd in de opvattingen van velen in Israël. De profeet Jesaja moest hen waarschuwen dat zij zich in de ballingschap niet mochten inlaten met het idee van de Perzen en Meden, dat er een god is die verantwoordelijk is voor het goede (licht) en een god die verantwoordelijk is voor het kwade (duisternis) dat de mens treft. Maar er is maar één God, die zowel het duister als het licht heeft geschapen. Helaas hebben velen in Israël toch het idee van een kwade macht met goddelijke kracht overgenomen. En zo is het ook het latere christendom ingeslopen.

Maar de verantwoordelijkheid voor het kwade dat de mens doet, wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bij de mens zelf gelegd. In de hof wordt het vonnis over de eerste mens uitgesproken, niet over een satan. Jacobus zegt, om het idee te weerleggen dat, als er maar één God is, je Hem verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat een mens doet:

“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”

En dan zou je – naar de opvattingen van veel Joden en het latere christendom – verwachten dat hij dan ‘de satan’ of ‘de duivel’ aanwijst als degene die de mensen verzoekt, verleidt tot zonde. Maar dat is niet het geval! Integendeel:

“zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.”

De vetgedrukte woorden maken samen duidelijk dat hier geen ander wezen tussenpast. Het komt dus niet voort uit een ‘satan’ die zuigt en verlokt, zodat wij gaan begeren, maar uit onszelf. En dat is een boodschap die de meeste mensen niet graag horen, omdat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor onze zonden, en we dus serieuze stappen moeten doen om daarvan verlost te worden. Alleen dan kunnen we, ondanks Gods onherroepelijke doodvonnis over ons, toch bij de komst van Christus opgewekt worden en eeuwig leven ontvangen. En hoe God dat doet vertelt het Nieuwe Testament ons.

Het woord in het Nieuwe Testament

De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften gebruiken het Hebreeuwse woord satan(as) regelmatig: 36 maal. Het woord diabolos, dat de Septuaginta normaal bezigt, gebruiken deze schrijvers echter precies even vaak (wie er een Concordantie op naslaat zal zeggen dat duivel veel vaker voorkomt, maar in onze vertalingen wordt vaak ‘duivel’ gebezigd waar dat in de grondtekst niet het geval is).
Dat kan twee dingen inhouden: ze zijn voor hen synoniem (en we hebben gezien dat dit regelmatig het geval is), of ze hebben een iets andere betekenis of inhoud.

De verleiding is groot ze samen te behandelen – en dat hebben we in de artikelen gedaan als ze in hetzelfde verband werden gebruikt (samen of in een parallelle passage – maar we hebben gekozen voor een systematische aanpak per woord of begrip. En daarom kijken we in de volgende artikelen naar ‘de duivel’ (diabolos).

Het zou te ver gaan om alle passages in het Nieuwe Testament waarin ‘de satan’ wordt genoemd hier op te sommen, laat staan alles wat we geschreven hebben te herhalen. We kunnen slechts in grote lijnen aangeven wie met ‘de satan’ wordt bedoeld. Wat we in de artikelen hebben gedaan is de oudtestamentische betekenis en inhoud toepassen op alle plaatsen in het Nieuwe Testament waar het woord ‘satan(as)’ wordt gebruikt. Dus het gaat altijd om een tegenstander, vijand, tegenpartij, aanklager. Daarna hebben we bekeken wat of wie er in het verband mee wordt bedoeld of kan bedoeld zijn. Dat is de enige legitieme wijze van (consequente) Bijbeluitleg.

Het is eenvoudig vast te stellen dat een deel van het gebruik van het begrip ‘satan’ betrekking heeft op mensen:

a) Petrus staat Jezus in de weg (Mat 16:23, Mar 8:33).

b) Joden en de Romeinse overheid verzetten zich tegen het geloof in Jezus (2 Kor 2:10, 1 Tes 2:18, Op 2:13, 3:9; mogelijk 2 Kor 12:7).

c) Geestelijke tegenstanders en verleiders oefenen invloed uit op de gelovigen in Christus Jezus. In de gelijkenis van de zaaier worden met ‘de satan’ in Marcus 4:15 de schriftgeleerden en Farizeeën bedoeld, die de woorden van Jezus afdoen als van een zondaar of waanzinnige of zelfs bezetene, zodat het geloof in Jezus van de aanvankelijk enthousiaste mensen verdwijnt. Zie verder Rom 16:20, 2 Kor 11:14, 2 Tes 2:9, 1 Tim 5:15, Op 2:9, 24.

Dan is er de toepassing van het principe dat we bij Job vonden: een functie in Gods louteringsproces. Een volgeling van Christus zou zichzelf steeds vragen als deze moeten stellen:

‘waarom doe ik de dingen die ik doe?’; ‘ben ik altijd bereid te spreken en te handelen zoals God wil, en niet zoals ik denk dat het ook wel kan?’; ‘wat zou ik doen als God iets van mij vraagt dat geheel tegen mijn verwachtingen ingaat, waar ik tegenop zie?’.

Want Gods beproeving is gericht op wat wij menen te hebben en waarin wij denken ‘goed’ te zijn. Ook Jezus werd beproefd: wat zou hij doen met de grote gave en beloften die God Hem had gegeven. Hij moest steeds kiezen wat hij zou doen en hoe (Mar 14:36). Zijn motto daarbij was:

“Niet wat ik wil, maar wat U wilt”.

Als Jezus wordt gedoopt, ontvangt hij het grootste dat God kan schenken: Zijn heilige Geest. Daarbij klinkt een stem

“U bent mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen” (Mar 1:11).

Diezelfde Geest dringt hem ertoe naar de woestijn te gaan (vs. 12). Daar doet ‘de satan’ zijn beproevingswerk, zoals we dat bij Job hebben gezien. Daaruit moet blijken of Jezus het inderdaad waard is Gods Zoon genoemd te worden (en God dus rechtvaardig is in Zijn keuze), en hij in staat is het werk te doen waarvoor God hem uitzendt onder Zijn volk.
Want hij mag niet falen! In de woestijn is niets, en Jezus had ook niets bij zich. De overwegingen en aanvechtingen die hij had, kon hij alleen overwinnen door zijn kennis van Gods wil tot zijn leidraad te nemen:

“Staat er niet geschreven …”.

Want dat zou hij ook moeten doen tijdens zijn werk onder een ongelovig volk, dat zijn werk zou afbreken, Hem zou uitdagen, tarten, vernederen, willen doden. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn taak. Hij had de taak Jezus te testen, en hij heeft die glansrijk doorstaan. In de woestijn, tijdens zijn werk onder het volk, en tijdens zijn aanvechtingen in de tuin van Getsemane en aan het stuk hout.

Vergelijkbaar hiermee is wat Jezus zegt tegen zijn discipelen over dat ‘de satan’ hen heeft willen “ziften als de tarwe” (Luk 22:31). Ziften is het ontdoen van kaf en vuil, zodat alleen de tarwekorrels overblijven. Interessant is dat hier voor het eerst ook de taak van middelaar, pleitbezorger, advocaat, van Jezus zichtbaar wordt:

“Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken”.

Zie verder 1 Kor 5:5, 7:5, 1 Tim 1:20. Dus waar Job om vroeg is nu werkelijkheid geworden.
Lukas 13:16 – De vrouw was vanwege haar bloedvloeiing volgens de wet permanent onrein, en kon dus niet deel nemen aan de dienst voor God. Zij stond overal buiten en kende weinig medelijden van anderen. Niemand kon haar genezen en zij was dus een gebondene, een gevangene die vrijgemaakt moest worden van haar uiteindelijk dodelijke ziekte en het al even dodelijke oordeel van de wet. ‘De satan’ vertegenwoordigt hier het principe van de wet, dat streng en onbarmhartig werd gehandhaafd door de uitvoerders daarvan.

Tot slot de misschien op het eerste gezicht wat lastige passages.
Luk 22:3, Joh 13:27 – De woorden

“toen voer de satan in Judas”

zijn het moeilijkst te begrijpen vanuit de huidige denkwereld. Het kan echter niet zo zijn dat hier het hele idee over een bovennatuurlijke ‘satan’ kan standhouden, als overal (na een eerlijke beschouwing) duidelijk is wie of wat er wordt bedoeld.

Ons inzien kan dit worden verklaard vanuit het besef, dat wat Judas deed het ergste was dat hij kon doen: de heer die hem had gekozen om mee te werken aan de bekering van mensen, zodat zij toegang zouden krijgen tot het eeuwige leven, te verraden om een stuk land voor zichzelf te kunnen kopen. In plaats van hem te verdedigen, voor hem te pleiten, wordt hij zijn tegenpartij, zijn vijand. Niet in een opwelling, maar volgens een weloverwogen plan dat hij heeft bedacht.

Vanuit de denkwereld over het kwaad gebruiken de schrijvers dan ook het sterkste woord om die kwade overlegging en die vijandschap ten volle weer te geven. Zie ook Hand 5:3.

Mat 12:26; Mar 3:23,26; Luk 11:18 – Jezus spreekt zijn beschuldigers toe vanuit hun eigen denkwereld. Dat hij het niet eens is met hun ideeën blijkt uit zijn woorden “En indien …”. Maar hij weet dat het geen zin heeft hen aan te spreken op hun verkeerde opvattingen, omdat zij toch niet van mening veranderen. Wat dat betreft is de situatie in onze tijd niet veel anders. Wat Jezus doet is het beste dat hij kan doen: hen erop wijzen dat hij sterker is dan die ‘satan’ waarin velen zo vast geloven. Mogelijk spreekt Paulus in Handelingen 26:18 ook vanuit de denkwereld van zijn luisteraars, omdat hij dat Perzisch dualisme van duisternis en licht gebruikt.

Openbaring 12:9, 20:2 en 7 – ‘De satan’ is hier de personificatie van mensen die Gods kinderen verleiden tot zonde en hen vervolgen. Het hele boek spreekt over wereldse en verkeerde geestelijk invloeden die naar de christenen uitgaan, en de wereldlijke en kerkelijke machten die het voorzien hebben op de ware gelovigen.
Hun invloed en macht komt echter tot een definitief einde bij de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde, bij de komst van Christus (zie ook Luk 10:18).

Nu kan de vraag worden gesteld:

‘maakt het wat uit dat we weten of er een bovennatuurlijke satan is of niet?’

Het antwoord is:

‘welzeker’.

Want God oordeelt ons niet op grond van wat buiten ons is, maar van wat in ons is. Adam en Eva konden de schuld voor wat zij deden niet afschuiven op iets of iemand anders. En zo kunnen en mogen ook wij dat niet, zoals we zagen in de brief van Jacobus. Onze zonden komen voort uit onze eigen begeerten. Heel Jezus’ verlossingswerk is gebaseerd op de overwinning op die begeerten. Wat wij kennelijk niet (volmaakt) kunnen, heeft hij gedaan. God zei tegen Kaïn dat de zonde als een belager aan de deur ligt, maar waarover wij moeten heersen (Gen 4:7). Hoe zouden wij kunnen heersen over een bovennatuurlijke macht? Wij kunnen wel strijden tegen de zonde, door de verkeerde begeerten in ons te verwerpen, zoals Jezus deed. Jezus zegt aan het eind van zijn leven tegen zijn discipelen:

“Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33).

Dus niet ‘de satan’, maar de wereld. En in zijn eerste brief zegt Johannes dat wij hetzelfde moeten doen door ons geloof, evenals de heer in zijn brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Christus heeft zonde (in welke vorm en uiting ook) en de dood overwonnen. Wij moeten het kwade in ons overwinnen door het goede. Met hulp van de heer is dat mogelijk. Daarvoor geeft hij zijn woord en Geest. Dat is Gods heilsboodschap aan ons.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Oorzaak lijden en dood
  2. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  5. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

++

Aanvullend

    1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
    2. De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis
    3. De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer
    4. Bron(nen) van kwaad
    5. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
    6. Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis
    7. Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft en gevolgen van haar keuze
    8. De vrucht van de Ish en Isha
    9. Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord
    10. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
    11. De wereld van onbijbelse leer #3
    12. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
    13. Het Geschreven Woord: draak
    14. De Taal van de Bijbel: De antichrist
    15. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
    16. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
    17. Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
    18. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
    19. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
    20. Gevallen engelen en hun verblijf
    21. Hoe leest u?: Lucifer
    22. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
    23. Is een Demon een op zijn eigen bestaande geest?
    24. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
    25. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
    26. Wie brengt het Kwaad over ons
    27. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
    28. Satan het kwaad in ons
    29. Hoe de Satan vandaag rond toert
    30. Amerikaans-Iraanse voorganger Saeed Abedini plaatst omstreden bericht
    31. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
    32. Doemdenkers en ons lijden
    33. Laatste dagen omroepers
    34. De Dag is nabij #3 Niet laten verrassen
    35. Hedendaagse wonderen geen werk van Satan
    36. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
    37. Wat betreft het “Getal van de duivel”
    38. De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
    39. God meester van goed en kwaad
    40. Gedachte voor vandaag: “God vragen tegen de vijanden op te staan” (03 januari)
    41. Opgeroepen door Jezus
    42. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
    43. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme
    44. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens
    45. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #13 Onbegrijpelijk verkeerde voorstelling door het Wachttorengenootschap #2 Koninkrijk van God

Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

Vrijlating voor gevangenen

Lucas 13:10-17 vertelt de genezing van een vrouw:

“En zie, er was een vrouw, die al achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten”

Jezus geneest haar door zijn handen op haar te leggen, zeggende:

“Vrouw, u bent verlost van uw zwakheid”.

Wat opvalt, is dat hij geen ‘boze geest’ uitdrijft om haar te genezen, en haar ook niet vraagt niet meer te zondigen. Als de overste van de synagoge hem dan verwijt dat hij op sabbat mensen geneest, en de andere aanwezigen blijven zwijgen, vraagt hij hen:

“Huichelaars … moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?”.

Wat bedoelde Jezus hier met ‘de satan’? Een suggestie: als ‘de satan’ de aanklager en beproever is van mensen, zou deze vrouw, net als Job, beproefd kunnen zijn totdat haar verlosser optrad. En toen hij deed wat zij verlangde, kon zij – meer nog dan Job, die alleen maar in hoop naar de toekomst kon kijken – zeggen:

“Ik weet: mijn Losser leeft” (Job 19:25).

De Losser is in Gods heilswerk iemand die een ander loskoopt, vrijmaakt, uit een moeilijke situatie; bijvoorbeeld een weduwe (denk aan hoe Boaz met Ruth trouwt) of een slaaf. De profeet Jesaja moest van God aangeven waaraan de Messias herkend zou kunnen worden. Dé herkenning was dat hij enerzijds een blijde boodschap (= evangelie) zou verkondigen aan ootmoedigen (nederigen van hart) en anderzijds zijn woorden bekrachtigen door daden. Eén van die daden zou zijn:

“voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening van de gevangenis”.

Dat hiermee geen letterlijke gevangenis werd bedoeld – wat kennelijk wel de verwachting van velen in die tijd was – is te zien in het feit dat Jezus tijdens zijn predikingswerk nooit iemand bevrijdde. Integendeel. Het is juist de klacht van Johannes de Doper, dat hij gevangengenomen is en Jezus hem in de cel laat zitten. Hij stuurt nota bene ook nog eens de boden van Johannes terug naar hun meester met de woorden uit Jesaja, dat God hem heeft gezonden

“om aan gevangenen loslating te verkondigen”.

Maar de enige bevrijdingen uit gevangenissen waarvan wij weten, worden in Handelingen vermeld: Eerst worden de apostelen door een engel bevrijd, en later Petrus. De vrijlating van gevangenen heeft daarom in de eerste plaats betrekking op de vrijlating uit de gevangenschap van de zonde en de gevolgen daarvan: ziekte en dood. En dat is wat Jezus, bijvoorbeeld, deed met die krom gegroeide vrouw:

“moest deze vrouw … niet losgemaakt worden van deze band …?”

“de satan doet zich voor als een engel van het licht”

Deze woorden van Paulus worden wel als ‘bewijs’ aangevoerd voor het bestaan van een gevallen engel, die mensen misleidt door zich voor te doen als de Messias. Wij willen echter wijzen op het verband waarin de woorden van 2 Kor 11:15 staan en de conclusie van Paulus. Hij schrijft over mensen die zich voordoen als apostelen, als dienaren van de gerechtigheid. Maar zij prediken een ander evangelie en een andere Jezus, en zijn daarom “bedrieglijke arbeiders”.
Wie waren zij? Vaak tot de gemeente toegetreden Joden, vooral uit de Farizeeën. Dat Paulus hen op het oog heeft, blijkt uit 11:22. Stefanus verwijt de Joodse leiders dat zij zich verzetten tegen de heilige Geest; zij waren dus ‘satans’, tegenstanders van God. Daarom, zo zegt Paulus, zal hun einde zijn naar hun werken (11:15). Geen oordeel over die ‘satan’ die hen misleidde, of over het delen van zijn dienaren in het oordeel over ‘de satan’. ’De satan’ zetelt in Jeruzalem in de vorm van het Jodendom. Degenen die spreken zoals zij zijn die bedrieglijke arbeiders.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser
  2. Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

++

Aanvullend

  1. God meester van goed en kwaad
  2. Niet op vernuftige verzinsels gebaseerd
  3. Hoofdbronnen van afwijkende gedachten
  4. Het Geschreven Woord: Engelen
  5. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
  6. Hoe leest u?: Lucifer
  7. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
  8. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  9. De Zonen van God controverse
  10. Een geïntegreerde benadering van Genesis 6:2 « de zonen van God en de dochters van de mensen »
  11. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  12. Het verkeerd gaan van de mens en God Zijn besluit
  13. Verkondiger Jezus ook de redder
  14. Overdenking: Barmhartigheid wil Ik
  15. De gezindheid van Christus
  16. Het Geschreven Woord: lossing
  17. Tijden van gevangenschap, verbanning en verlossing
  18. Mogen wij geloven in een verlossing
  19. Christus in Profetie #3 De Knecht in Jesaja (3) Gezalfde
  20. Rust vinden onder het juk van Jezus
  21. Verlossing #2 De Bijbelse oplossing

Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

Personificatie

Maar wie of wat is ‘de duivel’, die de schrijver als ‘verantwoordelijke’ voor de dood aanwijst?

We zagen in 2 Timoteüs dat Paulus hier ‘de zonde’ voor verantwoordelijk stelt. We hebben daarom te maken met begrippen die als synoniemen worden gebruikt. Daarnaast zijn ze ‘personificaties’. Een wijze van zeggen waarbij een abstract fenomeen als een persoon wordt voorgesteld. Hetzelfde zien we in Spreuken bij ‘de wijsheid’, in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs bij ‘de liefde’ (hoofdstuk 13), en zo zijn er veel meer voorbeelden in de Bijbel.

Het zal een ieder duidelijk zijn dat hier geen concrete personen zijn bedoeld (hoewel velen in ‘de wijsheidChristus zien, is daar in Spreuken geen enkele aanleiding toe, en nergens in het Nieuwe Testament wordt daar in verband met Christus naar verwezen). Zo is ook een/de ‘duivel’ geen persoon of wezen, maar een aanduiding voor de zonde of voor wie/wat tot zonde verleidt.

De aanklager is overwonnen

Openbaring 12:7-12 e.v. legt het verband met Lucas 10:18, maar ook met Matteüs 12:29. Want hier vinden we veel terug van wat we daar hebben gezien: de kracht van God, Zijn koningschap (koninkrijk), de satan als aanklager, de overwinning van Christus op de zonde en de dood, de strijd van zijn volgelingen tegen de verleiding tot zonde om het eeuwige leven binnen te kunnen gaan:

“Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood” (Op 12:10,11).

Let op wat hier staat: De volgelingen van Jezus hebben het van de aanklager gewonnen, hebben zijn aanklachten overstemd, door zich te laten reinigen van hun zonden en te getuigen van de dood en opstanding van hun heer en verlosser Jezus. Hij staat aan de basis van de overwinning, maar van zijn volgelingen verwacht hij dat zij geen aanleiding geven tot aanklachten vanwege ongerechtigheid na de afwassing van hun zonden. Het is daarom niet van belang te strijden over wie de aanklager is, maar juist dat wij ervan overtuigd zijn dat er geen aanklacht tegen onze heer gevonden kon worden, en dat dit ook zo moet zijn bij zijn volgelingen. In de goddelijke rechtsspraak moet het zo zijn dat elke aanklacht tegen ons als ongegrond verklaard moet kunnen worden als Jezus voor ons pleit.

“Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen”

Zijn predikingswerk confronteert Jezus steeds weer met de gevolgen van de zonde.

Boze geesten’ zijn, in de vorm van ziekten en kwalen en geestelijke afwijkingen, één van die gevolgen, niet de oorzaak. Bij de zonde van de eerste mensen was dit een onderdeel van Gods veroordeling. Toen de discipelen eens enthousiast thuiskwamen en Jezus vertelden dat ook zij ‘boze geesten’ aan zich konden onderwerpen in de naam van Jezus, zei hij tegen hen:

“Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Luc 10:18).

Wat bedoelde Hij daar mee? In Matteüs 12 laat Jezus de tegenovergestelde kant zien van wat de Farizeeën beweren, namelijk:

“Indien ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen” (vs 28).

Het Koninkrijk van God is een samenleving van mensen op aarde die niet zondigen. Dat gaat niet vanzelf, daar is strijd voor nodig: in dit leven door te strijden tegen de verleiding tot zonde in onszelf en door onze omgeving, maar bij de komst van Christus ook door het radicaal uitbannen van zondaars en alles wat tot zonde verleidt. In het onderwerpen van ‘de boze geesten’ (de genezing van ziekten en geestelijke afwijkingen) ziet Jezus de eindoverwinning zich aftekenen: de gevolgen van de zonde worden teniet gedaan op grond van geloof. Telkens vraagt hij mensen die hij geneest niet meer te zondigen (want anders zullen zij een boze geest blijken te hebben in plaats van een geest van heiligheid). Tegen wie niet zondigt, zijn geen aanklachten, beschuldigingen, in te brengen. Christus heeft hen vrijgekocht van de zonde en niemand kan hen meer van hem afnemen: zij zijn zijn rechtmatige buit. Tegen hen ingediende aanklachten zijn dan valse beschuldigingen, en daarvoor is geen plaats. Dat wordt radicaal voorgesteld met dat beeld van de satan die uit de hemel valt.
Er is geen aanklager bij God, of beproever van mensen meer nodig voor wie volmaakt is. Waar de rechtvaardige Job waarschijnlijk zo naar verlangde wordt werkelijkheid.

J.K.D.

Vervolg: Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood

++

Aansluitend

  1. De Voltooiing van de schepping 1 Beproeving – Op weg naar volmaaktheid
  2. Bron(nen) van kwaad
  3. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  4. God meester van goed en kwaad
  5. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
  6. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  7. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  8. Gevallen engelen en hun verblijf
  9. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  10. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
  11. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  12. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  13. Hoe leest u?: Lucifer
  14. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  15. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
  16. Hoe de Satan vandaag rond toert
  17. Wat betreft het “Getal van de duivel”
  18. Satan het kwaad in ons
  19. Essentiële kennis voor de doopkandidaat #3 Over leven en dood
  20. Christus in Profetie 17: Christus in de psalmen – “Toen zei Ik : zie, hier ben Ik”
  21. Betekent eenmaal gered, altijd gered?
  22. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
  23. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  24. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
  25. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens

Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

Wegens het toeschrijven aan een boze geest

“zodat wij geen lust tot het kwade zouden hebben”

God had Israël verlaten wegens hun verzet tegen de heilige Geest, en het toeschrijven van de werking van Zijn kracht aan een boze geest. We moeten echter oppassen dat wij genoegzaam zeggen dat dit hun verdiende loon was, zoals in het verleden is gedaan en helaas nog steeds wordt gedaan.

Paulus maakt duidelijk dat wat Israël van Gods oordelen heeft ervaren, is opgeschreven “ter waarschuwing voor ons”,

“zodat wij geen lust tot het kwade zouden hebben” (1 Kor 10:11 en 6).

Zijn persoonlijke waarschuwing aan wie meent rechtvaardig te zijn – zoals eens de Farizeeën deden – is:

“wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valt” (1 Kor 10:12).

Zonde, heerser, regerend door de dood

Alle mensen hebben gezondigd, geen enkele uitgezonderd – behalve Jezus Christus. Daarom zou Gods oordeel over allen terecht zijn. De bedoeling is echter dat we lering trekken uit wat anderen overkomen is, zodat we niet veroordeeld worden.

“gelijk de zonde als koning heerste in de dood”

Jezus’ woorden gaan daarom nog veel verder. De grootste tegenstander van de mens is niet ‘de satan’, maar de dood. Want de zonde kunnen we overwinnen, maar wie zondigt kan aan de dood niet ontsnappen. Paulus beschrijft hem als een heerser:

“Want, indien door de overtreding van de ene (Adam) de dood als koning is gaan heersen …” (Rom 5:17).

De dood is in algemeenheid een gevolg van de zonde; en die wordt óók voorgesteld als een heerser, regerend door de dood:

“gelijk de zonde als koning heerste in de dood” (Rom 5:21).

Wet van Mozes, bediening van de dood

Paulus noemt de wet van Mozes ‘de bediening van de dood’ (2 Kor 3:7).
Want de wet rechtvaardigt niet, maar leert wat zonde en de straf daarop is (Rom 3:20). Maar met Christus’ offerdood en opstanding is alles anders geworden: Paulus schrijft dat hij (Christus)

“de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie” (2 Tim 1:10).

Hoe? Door vrijwillig (want het doodvonnis over Adam was niet op hem van toepassing) het dodenrijk binnen te gaan, en daaruit tevoorschijn te komen met een veranderd lichaam, dat niet meer door de dood overweldigd kan worden. Zo verschijnt hij aan Johannes met de woorden:

“Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk” (Op 1:17,18).

Wat bedoelt Hij met ‘de sleutels van het dodenrijk’ hebben? De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt het zo:

“… opdat hij (Christus) door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel (diabolos), zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren” (Heb 2:14,15).

Toegepast op Jezus’ woorden in o.a. Matteüs 12:29 (“… hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden?”), is hij zelf dus degene die sterker is dan de zonde en de dood.

J.K.D.

Vervolg: Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil
  2. Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden
  3. Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof
  4. Fundamenten van het Geloof 15 De Rechter en zijn oordeel
  5. Fundamenten van het Geloof 16 Het Koninkrijk van God op aarde

++

Aanvullend

  1. Mishpat in het Hebreeuws en in het Grieks #2 sleutelwoord voor crisis, recht, verordening, voorschrift, rechtspraak of vonnis en oordeel
  2. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
  3. De nacht is ver gevorderd 5 Studie 2 Schrik of troost 1 Dagen van Noach
  4. De nacht is ver gevorderd 6 Studie 2 Schrik of troost 2 Sodom en Gomorra
  5. De nacht is ver gevorderd 7Studie 2 Schrik of troost 3 Rachab
  6. De nacht is ver gevorderd 9 Studie 2 Schrik of troost 5 Menselijke politiek of Gods hand

Fundamenten van het Geloof 16 Het Koninkrijk van God op aarde

Photo by Karolina Kaboompics on Pexels.com

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Het Koninkrijk van God zal niet zonder slag of stoot tot stand komen. Psalm 2 toont de toestand in de wereld, wanneer de Koning verschijnt om de macht over de aarde op te eisen: de leiders en machthebbers zullen niet bereid zijn hun posities op te geven. Maar het antwoord van God is duidelijk: vóór de grondlegging van de wereld heeft Hij bepaald wie de Koning daarvan zal zijn!

“Ik heb immers mijn Koning gesteld over Sion, mijn heilige berg…Nu dan, u koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, u richters van de aarde. Dient Jehovah met vreze.” (Psalm 2:6,10-11)

“Buigt u neder voor Jehovah … beef voor zijn aangezicht, u ganse aarde. Zegt onder de volken: Jehovah is Koning, vast staat nu de wereld …” (Ps. 96:9-10).

Omdat God trouw is aan zijn gegeven woord, zal dit Koninkrijk er zeker komen, niet alleen voor Israël maar voor de gehele wereld. Koning Nebukadnezar van Babel had eens een droom, waarin hij zag hoe er een einde zou komen aan zijn rijk en alle rijken na hem, en dat zij plaats moeten maken voor een wereldomvattend koninkrijk. Dit werd gesymboliseerd in een steen die een groot beeld trof en voorgoed verbrijzelde:

“… maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde … zal de God van de hemel een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid.” (Daniël 2)

De regering van Christus Jezus zal tot doel hebben de dan levende sterfelijke mensen te leren, dat de wil van God uiteindelijk door mensen op aarde wordt gedaan, net als engelen die nu doen in de hemel, en hoe zij die wil van God moeten doen. Zo zal niet alleen het gebed Uw Koninkrijk kome worden vervuld, maar ook Gods plan met de schepping van de mens. De toestand van het begin van de schepping, toen de mens in vrede met zijn God op aarde leefde in de Hof, zal worden hersteld:

“Geloofd zij Jehovah God, de God van Israël, die alleen wonderen doet. En geloofd zij Zijn heerlijke Naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de ganse aarde. Amen, ja, amen.” (Ps. 72:18-19; vgl Ps. 57:6 en 12; 108:6; 97:6).

Wanneer dit werkelijkheid is geworden, zal alles goed zijn wat God in het begin gemaakt heeft. Dan zal Christus Jezus de koninklijke macht die hij heeft ontvangen om de aarde te onderwerpen aan God, teruggeven aan Hem die alles geschapen heeft:

“… daarna het einde, wanneer hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want hij moet als koning heersen, totdat hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft … Maar wanneer hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles hem onderworpen is, zal ook de zoon zelf zich aan Hem onderwerpen, die hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.” (1 Korintiërs 15:23-28; vergelijk Genesis 41:37-44)

 

Vraag ter overdenking:

Hoe kan Gods wil nu al geschieden op aarde?

 

Het Vrederijk of 1000-jarige rijk

Dat er een einde komt aan de regeringsperiode van Christus, geeft aan dat zijn rijk een fase is tussen de huidige situatie, waarin de mens meent de dienst uit te kunnen maken, en de uiteindelijke situatie, waarin alleen volmaakte mensen de aarde zullen bewonen. Christus komt uit de hemel op het moment dat alles op aarde zijn gewone gang gaat: de mensen werken, trouwen, voeren oorlog enz.

Zijn komst betekent echter een einde aan de proeftijd voor alle dan levende mensen, die redelijkerwijs op de hoogte zijn van Gods roeping door het evangelie. De heer Jezus stelt dit voor als een moment dat er plotseling overal op aarde mensen verdwijnen van de plek waar zij op dat moment zaten, lagen of stonden (Matt. 24:36-42). Hetzelfde geldt voor de doden: van allen die liggen in het stof van de aarde, zullen alleen zij opstaan die bekend waren met Gods roepstem in zijn evangelie (Joh. 5:25-29). De reden is dat levenden en doden voor Christus moeten verschijnen om uit zijn mond te horen wat hun bestemming zal zijn: wie God hebben gediend, en van Hem en Zijn zoon getuigd, zullen met Christus mogen regeren op aarde (Rom. 5:17; 2 Tim. 2:11-12; Openb. 5:10, 20:4-6, 22:5). Er blijven immers nog heel veel mensen over die gewoon sterfelijk zijn en nog geen kennis hebben van God.

Het zal de taak zijn van degenen die eeuwig leven hebben ontvangen, onder de leiding van Christus, anderen te helpen en te overtuigen God en Zijn zoon te dienen en te gehoorzamen, zodat ook zij eeuwig leven zullen ontvangen aan het einde van zijn koningschap op aarde. Wie zelfs in die periode niet tot geloof gekomen is, zal sterven om nooit meer op te staan (Openb. 20:11-15). Zo zal uiteindelijk al het kwaad in de wereld uitgebannen zijn, en alleen zij overblijven, die waarachtige kinderen van God, naar zijn beeld en als zijn gelijkenis, genoemd kunnen worden. Die tussenperiode wordt in Openbaring de duizend jaren genoemd. Een lange, maar begrensde periode, die zo wordt voorgesteld dat ‘de slang’ haar verleidingswerk niet meer kan doen en de mensen alleen leven onder de invloed van Gods Geest, door de aanwezigheid van Christus en zijn eeuwig levende dienaren. Een periode van grote zegeningen, zoals de mens tot dan toe niet gekend heeft, behalve in de hof (Openb. 22:1-5).

De stad met fundamenten

Gelovigen hebben zich nooit thuis gevoeld in de wereld. Zij zijn als vreemdelingen, die tijdelijk wonen bij andere mensen, zonder gemeenschappelijke grondslag met de huidige samenleving. Van Abraham wordt getuigd dat hij zo’n vreemdeling was (Gen. 17:8, 20:1, 23:4; Hebr. 11:13). Hij was vertrokken uit de welvarende stad Ur naar een land met grote en sterke steden. Maar hij probeerde nooit de veiligheid binnen de muren van één van die steden te zoeken. De reden was dat een stad een samenleving was onder een koning. Zij hadden een levenswijze en gewoonten, die veelal niet pasten bij een dienaar van God. Hij wist dat God er een einde aan zou maken wanneer zij zich niet tot Hem zouden bekeren. Dat had hij ervaren toen Sodom en Gomorra werden verwoest. Daarom zwierf hij liever rond in afwachting van wat God hem op zijn tijd zou geven, dan deel uit te maken van een tijdelijke samenleving. De schrijver van de brief aan de Hebreeën omschreef het zo, dat hij een hemels vaderland verwachtte, een stad met fundamenten, die niet zou wankelen (Hebr. 11:9-16). Deze stad, deze samenleving van mensen van hetzelfde geloof, met dezelfde gezindheid en hetzelfde streven, heeft God van het begin van de schepping in voorbereiding. Jeruzalem had die stad moeten zijn, een plaats waar alle mensen op aarde naar toe zouden kunnen gaan om de Elohim Jehovah God te bidden en te danken. Maar door de zonden van de inwoners is ook deze stad verwoest. In Openbaring wordt echter een geheel andere stad Jeruzalem getoond.

Een door God ingerichte, volmaakte, samenleving op aarde van allen die van Christus eeuwig leven hebben ontvangen, waarin geen enkel kwaad wordt gedaan (Openb. 21:2 -8). Met andere gezagsverhoudingen dan wij nu kennen, voorgesteld als een nieuwe hemel en aarde (Openb. 21:1). In het tweede deel van Openbaring 21 blijkt dat dit Jeruzalem de stad met fundamenten is waar Abraham al naar uitzag (Openb. 21:9-27).

“1  En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde waren voorbijgegaan; en de zee was niet meer. 2 En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuw Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, opgetooid als een bruid, die in feestgewaad haar bruidegom tegemoet wordt gevoerd. 3 En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, Gods woonplaats is bij de mensen, en Hij zal onder hen Zijn hut stichten, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal met hen zijn, als hun God! 4 En God zal alle tranen afwissen van hun ogen, en er zal geen dood meer zijn; noch rouw, noch geween, noch verdriet zal er meer zijn; want de vorige dingen zijn weggegaan. 5 En Hij, Die op de troon zat, zeide: Ziet! Ik maak alles nieuw. Ook zeide Hij tot mij: Schrijf, dat deze woorden waarachtig en getrouw zijn! 6 Nog zeide Hij tot mij: Het is geschied! Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde! Ik zal de dorstigen geven uit de bron van het levende water, om niet. 7 Die overwint, zal dit al ten erfdeel bezitten; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn! 8 Maar ten aanzien van de vreesachtigen, en ongelovigen, en zondaren, en gruweldaders, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en allen die met bedrog omgaan, hun lot is in de poel, die van vuur en zwavel brandt; hetwelk de tweede dood is.

9  En tot mij kwam een van de zeven Engelen, die de zeven schalen hadden gehad, welke gevuld waren met de zeven laatste plagen, en hij sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u de Bruid, de Vrouw van het Lam doen zien. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg; en hij toonde mij de grote stad, het heilig Jeruzalem, neerdalende uit de hemel van God. 11 En zij bezat de heerlijkheid van God, en haar lichtglans was als het allerkostelijkst gesteente, als kristal-Jaspis. 12 En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en bij de poorten twaalf Engelen, en namen daarop geschreven, zijnde die van de twaalf Stammen van de kinderen Israëls. 13 Aan het oosten waren drie poorten, aan het noorden drie poorten, aan het zuiden drie poorten, aan het westen drie poorten. 14 En de muur van de stad had twaalf grondzuilen, en op deze de namen van de twaalf Apostelen van het Lam. 15 En die met mij sprak, had een gouden meetstok, om de stad, en haar poorten, en haar muur te meten. 16 En de stad lag vierkant, zodat haar lengte even groot was als haar breedte; en hij mat de stad met de meetstok op twaalf duizend stadiën; haar lengte, en haar breedte, en haar hoogte waren even gelijk. 17 En hij mat haar muur, honderd vier en veertig ellen, naar mensenmaat, welke die van de Engel was. 18 En haar muur was gebouwd van Jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk. 19 En de grondzeilen van de muur van de stad prijkten met allerlei kostbaar gesteente. De eerste grondzuil was Jaspis, de tweede Saffier, de derde Chalcédon, de vierde Smaragd; 20 De vijfde Sardonix, de zesde Sardius, de zevende Chrysoliet, de achtste Beryl, de negende Topaas, de tiende Chrysopraas, de elfde Hyacinth, de twaalfde Amethyst.

21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, elke poort was uit één parel; en de straten van de stad zuiver goud, als doorschijnend kristal. 22 En ik zag in deze geen tempel, want de Heer, God de Almachtige, is haar tempel, en het Lam! 23 En de stad behoeft geen zon noch maan, om haar te beschijnen; want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar Fakkel! 24 En de volken der verlosten zullen in haar licht wandelen, en de Koningen der aarde hun heerlijkheid en eer in deze inbrengen. 25 En haar poorten worden niet gesloten des daags, want er is daar geen nacht. 26 En de heerlijkheid en eer der volken brengt men daarbinnen. 27 En niets komt daarin, wat ontreinigt, wat gruweldaad of bedrog pleegt; zij alleen, die geschreven zijn in het Boek des levens van het Lam!” (Openbaring 21:1-27 Palm)

De gemeente als voorafschaduwing van het Koninkrijk

De leermeester Jezus leerde zijn volgelingen te bidden dat Gods wil op aarde zal gedaan worden. Maar dit hoeft te wachten totdat Christus komt om het Koninkrijk hier op te richten. Toen hij op aarde leefde was zijn uitgangspunt altijd: Hier ben ik om Uw wil, o God, te doen (Hebr. 10:7). Hij was zo het begin van Gods Koninkrijk op aarde: de eerste mens die volmaakt Gods wil deed, door Hem als zijn Koning te beschouwen. Van zijn volgelingen verwachtte hij dat zij dezelfde gezindheid zouden tonen als hij. Een gezindheid van liefde, barmhartigheid, nederigheid, geduld, vergevingsgezindheid enz.
Een gezindheid die hen anders maakt dan de mensen in de wereld om hen heen. Een gezindheid die niet begrepen wordt en veelal niet gewaardeerd. Daarom vormen zij een gemeenschap met elkaar, met Christus als Hoofd. Een samenleving van broeders en zusters van hetzelfde geloof, die elkaar steunen en voorthelpen om te groeien naar de volmaaktheid. Zo krijgt het Koninkrijk van God nu al gestalte in kleine kringen: gemeenten waarin gelovigen worden opgevoed voor de grote taken die hen wachten bij de komst van Christus; de vertrekpunten van prediking en onderwijs uit Gods woord, om anderen te helpen ook die stap te maken in de nieuwe samenleving. Want daar zullen zij de vrede van God nu al leren kennen, waar anderen moeten wachten tot zijn komst en de oprichting van het Vrederijk.

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 15 De Rechter en zijn oordeel

++

Vindt ook te lezen

  1. Kijk naar verleden, heden en toekomst en zin van het leven
  2. Niet op vernuftige verzinsels gebaseerd
  3. Plan van Genade
  4. Gekoesterde plannen volgens God plan uitgevoerd
  5. Plan van de Goddelijke Maker
  6. Plan van God
  7. Plan van God en wereldvrede
  8. Koninkrijk van God (Belgische Christadelphians)
  9. Focus op het Koninkrijk van God
  10. Koninkrijk van Christus en Koninkrijk van God
  11. Het Koninkrijk Gods is bij u
  12. Heer, leer ons bidden #2 Gods Naam Geheiligd – een Komend Koninkrijk volgens Wil van God
  13. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 3 Gods Koninkrijk kome
  14. Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde
  15. Kracht en koninkrijk van onze God en de autoriteit van Zijn Christus
  16. Jezus van Nazareth #2 De zoon van Maria
  17. Christus winnen, Jehovah vertrouwen
  18. Christus in Profetie #8 De psalmen (2A) De messiaanse koning
  19. Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt
  20. Christus in Profetie #9 De psalmen (3) Van wie er in de Boekrol geschreven staat
  21. Wereld waarheen #1 Terug naar Egypte
  22. De Wederkomst en de eindtijd #1 Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan
  23. De Wederkomst en de eindtijd #2 Blik op de nabije toekomst
  24. De wederkomst en de eindtijd #3 Let op de Vijgeboom
  25. De Wederkomst en de eindtijd #4 De komende toorn
  26. De Wederkomst en de Eindtijd #5 De Verlosser uit de hemel
  27. De Wederkomst en de eindtijd #6 De Dagen van Noach en Lot
  28. De Dag is nabij #8 Overzicht
  29. Laatste dagen omroepers
  30. God Kijkt toe
  31. U God houdt de toekomst in handen
  32. Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde
  33. Christadelfiaanse geloofspunten #8 Boodschap van Jezus wiens vergoten bloed vergeving van onze overtredingen brengt
  34. Christadelfiaanse geloofspunten #12 Evangelie bestaand uit Dingen betreffende het Koninkrijk van God
  35. Christadelfiaanse geloofspunten #13 Koninkrijk van God na vernietiging van wereldse machten gegeven aan Zijn uitverkoren zoon
  36. Christadelfiaanse geloofspunten #17 Koninkrijk van God – Gehoorzamen en ongehoorzamen opgeroepen voor Jezus zijn rechterstoel
  37. Christadelfiaanse geloofspunten #18 Koninkrijk van God – Beloning voor trouw en bestraffing voor ontrouw
  38. Christadelfiaanse geloofspunten #19 Koninkrijk van God en Een Duizendjarig rijk
  39. Christadelfiaanse geloofspunten #21 Missie van het komend Koninkrijk
  40. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme

Idealist of niet, het komt er op aan vruchtbare gedachten te hebben

Idealist of niet, het komt er op aan vruchtbare gedachten te hebben

Of iemand idealist is of niet, maakt volgens Rudolf Steiner niet uit, al geeft hij toe dat het voor het leven het belangrijk is of iemand vruchtbare gedachten heeft, die zo zijn dat ze het leven doen gedijen en vooruitgaan.

Men kan gedachten enkel voor zichzelf houden. Het zal anderen soms zelf “een worst wezen” wat men mag denken. Verder kunnen sommigen wel loslippig hun gedachten spuien, zonder daar echt ernstig of diepgaand over na te denken, of er over te willen discussiëren. Wij zijn zelfs in een wereld beland waar op tv genoeg praatprogramma’s gepresenteerd worden welke nooit boven de gangbare café praat uitstijgen.

Nochtans heeft de wereld behoefte aan meer diepgang en moeten wij onze verantwoordelijkheid durven opnemen door onze mening gericht te durven uiten.

In onszelf mogen we genoeg wensen dragen. Wensen die hun oorsprong in het lichamelijke vinden, maar belangrijker nog, deze die hun oorsprong in de geest vinden. Hierbij moet de mens de spirituele natuur van zijn ego durven bloot leggen.

In het leven komt het er op aan, of men nu gelovig is of niet, dat spirituele het lichamelijke te laten overstijgen.

Het geestelijke moet ook het lichamelijke voeden en ons doen groeien in de maatschappij waarin wij leven. Zonder de op geestelijk kracht geschoeide vorming en kracht, kunnen wij niet vooruit gaan.

Om de wereld in positieve zin vooruit te laten gaan moeten voldoende mensen bereid willen zijn om hun steentje bij te dragen tot die vooruitgang. Samen moeten zij de wereld willen schragen.

Elkeen moet er aan werken om een productieve geest te hebben. Vruchtbare gedachten moet men aankweken. Hiertoe komt het op aan het geestelijke voldoende te voeden, zodat we als mens in deze maatschappij vrucht kunnen dragen.

Zelfzucht / Denken / Stemming / Ontevredenheid

Alle eigenschappen die met eigenzinnigheid en zelfzucht samenhangen, zoals eerzucht, ijdelheid, al deze dingen, die schijnbaar op iets anders werken,…

Zelfzucht / Denken / Stemming / Ontevredenheid

Antizionisme is geen antisemitisme

Antizionisme is geen antisemitisme

 

Het kan niet genoeg herhaald worden:
antizionisme is geen antisemitisme.
Niet alle Joden zijn zionisten,
niet alle zionisten zijn Joden.

De fanatiekste zionisten vind je onder de Amerikaanse evangelische christenen, vaak de échte antisemieten.

Zionisme en antisemitisme Johan Depoortere

 

+

Voorgaande

Zionisme

Remedie tegen de ziekte van het nationalisme

Hamas en de Israëlische regering weer eens in conflict

++

Aanvullend

  1. Heeft er een Idoliseren van Israël plaats
  2. Christen en Joods Zionisme in het mei 2021 conflict (Our world)Christen en Joods Zionisme in het mei 2021 conflict (Some View on the World)
  3. Europees spilland en antisemitisme
  4. Kritiek op Israël wordt verpakt in antisemitisme (Our World)Kritiek op Israël wordt verpakt in antisemitisme (Some View on the world)