Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

De satan (samenvatting)

De afgelopen twee en een half jaar zijn in ons Nederlandstalig tijdschrift 12 artikelen gewijd aan de betekenis van ‘de satan’ in het Oude en het Nieuwe Testament. Dat lijkt veel, maar het is bij zo’n controversieel onderwerp beter rustig alle passages te bekijken, dan snelle conclusies te trekken. Gezien deze lange tijd en de vele uitleg, is het begrijpelijk als u het gevoel heeft het overzicht een beetje kwijt te zijn. Het lijkt ons daarom goed, alvorens over te gaan tot de betekenis van ‘de duivel’ in het Nieuwe Testament, een (lange) samenvatting te geven van wat we hebben gevonden over ‘de satan’.

Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament

Satan’ kan in het Hebreeuws zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Het heeft de betekenis van iemand die tegenover je staat, in de zin van een tegenstander (bijvoorbeeld in de strijd) of de tegenpartij in een rechtszaak (vertegenwoordigd door de aanklager). Het woord komt 32 maal voor, waarvan 14 in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het zijn de volgende plaatsen: Als zelfstandig naamwoord: Numeri 22:22; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:22; 1 Koningen 5: 4; 11:14, 23, 25; 1 Kronieken 21:1; Job hoofdstukken 1 en 2 (14x); Psalm 109:6; Zacharia 3 (3x).
Als werkwoord: Psalm 38:20, 71:13, 109: 4, 20, 29; Zacharia 3:1.

Omdat Gods openbaring in het Oude Testament de basis is voor het verstaan van Zijn heilswerk in Christus, zullen we altijd daarin naar de sleutel moeten zoeken voor het verstaan van de taal en boodschap van het Nieuwe Testament.
Wat opvalt bij het lezen van de genoemde passages, is dat er nergens sprake is van een bovennatuurlijke kwade macht. Het tegendeel is eerder het geval.

In het geval van Bileam in Numeri 22 is een engel van Jehovah zijn ‘satan’, die hem letterlijk in de weg staat, tegenhoudt om te doen wat hij (tegen de wil van God in) van plan is te doen. In het geval van koning Salomo in 1 Koningen 11 is er zelfs sprake van meerdere ‘satans: menselijke koningen. In 1 Samuel 29 zien de Filistijnen David als hun mogelijke ‘satan’ als zij willen uittrekken tegen het Israël van koning Saul; dus als iemand die zich tegen hen zou keren als het eenmaal tot een strijd zou komen. In 2 Samuel 19 beschouwt koning David zijn legeraanvoerders als zijn ‘satans’, omdat zij iets willen doen dat tegen Davids rechtvaardigheidsprincipes ingaat. Koning Salomo zegt in 1 Koningen 5 dat er in zijn rijk vrede heerst, omdat zijn vader alle ‘satans’, menselijke tegenstanders, heeft verslagen in de vele oorlogen die hij voerde. In de Psalmen 38, 71 en 109 spreekt David over mensen uit zijn eigen volk die hem haten, zich tegen hem verzetten en zijn leven belagen.

In 1 Kronieken 21 ligt de zaak wat ingewikkelder. Daar staat:

“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan tot …”.

Maar we mogen voor een verklaring hiervan niet zomaar een opvatting uit later tijd toepassen. We moeten die zoeken binnen de normale betekenis van het gebruikte woord, en aan de hand van andere plaatsen in de Bijbel waar meer gezegd wordt over dezelfde gebeurtenis. Nu staat er in de parallelle passage in 2 Samuel 24:1:

“ … Jehovah… zette David tegen hen (Israël) op …”.

Het is aannemelijk dat de tekst in Samuel ouder is dan in Koningen, mogelijk geschreven door de profeet Nathan, die als geen ander wist wat er rond David gebeurde. In ieder geval kan uit de oorzaak – “de toorn van Jehovah tegen Israël” – niet anders worden geconcludeerd dan dat God Zijn volk duidelijk wilde maken dat het op de verkeerde weg was. We hoeven echter die ‘satan’ in 1 Kronieken ook niet zomaar terzijde te schuiven. Want het gebruikte woord is zeker toepasselijk, omdat het ons brengt tot die andere betekenis, namelijk aanklager.

Ds. F.J. Pop schreef in Bijbelse woorden en hun geheim:

‘Het Hebreeuwse woord voor satan wordt gebezigd voor een figuur uit het Israëlitische recht; de vijandig gezinde aanklager van de rechtbank’.

We zien dit in Psalm 109:6, waar het gaat om een menselijke aanklager in een rechtszaak. In Zacharia 3 is ook sprake van een aanklager, maar hier is hij een figuur in een symbolische rechtszaak, die handelt om de vraag of de tempel in Jeruzalem terecht herbouwd wordt. De werkelijke aanklagers zijn bewoners van het land, die bij de Perzisch-Medische koningen de bouw van de tempel proberen tegen te houden. ‘De satan’ vertegenwoordigt in deze zaak de aanklagers. De engel is de pleiter voor Israël. God doet de uitspraak dat Hij wil dat de tempel wordt herbouwd, omdat Hij “Jeruzalem verkiest”.

Dit brengt ons tot het boek Job. Ook hier is sprake van een symbolische zitting. In dit geval moet hierin Gods rechtvaardigheid worden aangetoond inzake de zegeningen die Hij Job schenkt. Uit het gehele boek blijkt dat zelfs zijn vrienden hem ervan beschuldigen zijn rijkdommen op onrechtvaardige wijze te hebben verkregen. De afgunst van mensen brengen hen tot kwade verdachtmakingen. Maar de beschuldigingen zijn er, en Gods rechtvaardigheid eist dat aan het licht komt of beschuldigingen aan het adres van zijn gunstelingen terecht zijn of niet. De rol van ‘de satan’ in dit boek is dan ook de beschuldigingen uit de omgeving van Job onder Gods aandacht te brengen en vervolgens de beschuldigde te beproeven. In het geval van Job wordt alles wat hij heeft verworven van hem afgenomen, om te zien of hij inderdaad – zoals zijn beschuldigers zeggen – God alleen maar dient omdat Hij hem zoveel geeft, of dat hij Hem ook zonder dat alles trouw blijft. Uit het slot van het boek blijkt het ongelijk van zijn vrienden (‘de satan’ wordt niet meer genoemd!).

Job komt uit zijn beproeving met meer geloof en inzicht. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn werk. Want hij staat in Gods dienst om te onderzoeken of er een smet kleeft aan Gods gunstelingen, en vervolgens hen te beproeven zodat zij gelouterd worden en behouden worden in het oordeel.
Interessant is het gevoel van Job geheel alleen te staan; dat God hem heeft verlaten, en hij dus nergens naartoe kan gaan in zijn nood. Daarom vraagt hij om een middelaar, een pleitbezorger. Dit is van groot belang in het Nieuwe Testament, omdat daar duidelijk blijkt dat God die Pleitbezorger heeft gegeven: Jezus Christus.

De betekenis en lading van het woord in het Nieuwe Testament

Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, zullen we daarom aan de hand daarvan de betekenis van ‘de satan’ in het Nieuwe Testament moeten vinden. Voor een onbevooroordeeld onderzoek is het nodig alles te vergeten wat er wordt gezegd over wie en wat ‘de satan’ is en te lezen wat er in het verband met de rest van het verhaal staat.
Voordat we dit doen moet het volgende worden gezegd:

1. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. In de tijd van de heer Jezus en zijn apostelen waren de Hebreeuwse geschriften (ons Oude Testament) al vertaald in het Grieks. Er waren de ‘Septuaginta’ en de zogenaamde ‘Masoretische’ tekst. Het Grieks kent het woord satan niet. Vertalers (we spreken nu over de ‘Septuaginta’) zoeken dan naar een woord dat dezelfde inhoud heeft als het woord in de oorspronkelijke tekst. Daarvoor zijn zij gekomen op diabolos en de werkwoordsvorm daarvan. De inhoud hiervan is: (be)lasteraar, kwaadspreker, aanklager; vijand, hater. En we herkennen hierin wat we in het Oude Testament zagen over ‘de satan’. Opvallend is overigens dat de vertalers in 1 Koningen 11 ‘satan’ onvertaald hebben laten staan.

2. De taal van de Bijbel is heel bijzonder. We vinden er parallellisme, beeldspraak, maar ook personificatie. Dat is iets abstracts voorstellen als een persoon. We zien dat bij de wijsheid in Spreuken, maar ook bij de zonde en de dood in de brieven van Paulus. En zo is het soms ook met het kwaad, dat wordt voorgesteld als een macht die God en Zijn kinderen vijandig gezind is.

3. Ook was het gevaarlijk om in brieven, die meestal door één of meer personen werden gebracht, openlijk te spreken over de concrete vijanden van Christus die de apostelen bedoelden. Daarom gebruikten zij termen die geen bewijs konden vormen bij een aanklacht, maar voor de gelovigen duidelijk waren. In dit verband ‘satan’ als de Romeinse overheid of de Joodse leiders werden bedoeld.

4. Tijdens de eerste ballingschap is er iets veranderd in de opvattingen van velen in Israël. De profeet Jesaja moest hen waarschuwen dat zij zich in de ballingschap niet mochten inlaten met het idee van de Perzen en Meden, dat er een god is die verantwoordelijk is voor het goede (licht) en een god die verantwoordelijk is voor het kwade (duisternis) dat de mens treft. Maar er is maar één God, die zowel het duister als het licht heeft geschapen. Helaas hebben velen in Israël toch het idee van een kwade macht met goddelijke kracht overgenomen. En zo is het ook het latere christendom ingeslopen.

Maar de verantwoordelijkheid voor het kwade dat de mens doet, wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bij de mens zelf gelegd. In de hof wordt het vonnis over de eerste mens uitgesproken, niet over een satan. Jacobus zegt, om het idee te weerleggen dat, als er maar één God is, je Hem verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat een mens doet:

“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”

En dan zou je – naar de opvattingen van veel Joden en het latere christendom – verwachten dat hij dan ‘de satan’ of ‘de duivel’ aanwijst als degene die de mensen verzoekt, verleidt tot zonde. Maar dat is niet het geval! Integendeel:

“zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.”

De vetgedrukte woorden maken samen duidelijk dat hier geen ander wezen tussenpast. Het komt dus niet voort uit een ‘satan’ die zuigt en verlokt, zodat wij gaan begeren, maar uit onszelf. En dat is een boodschap die de meeste mensen niet graag horen, omdat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor onze zonden, en we dus serieuze stappen moeten doen om daarvan verlost te worden. Alleen dan kunnen we, ondanks Gods onherroepelijke doodvonnis over ons, toch bij de komst van Christus opgewekt worden en eeuwig leven ontvangen. En hoe God dat doet vertelt het Nieuwe Testament ons.

Het woord in het Nieuwe Testament

De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften gebruiken het Hebreeuwse woord satan(as) regelmatig: 36 maal. Het woord diabolos, dat de Septuaginta normaal bezigt, gebruiken deze schrijvers echter precies even vaak (wie er een Concordantie op naslaat zal zeggen dat duivel veel vaker voorkomt, maar in onze vertalingen wordt vaak ‘duivel’ gebezigd waar dat in de grondtekst niet het geval is).
Dat kan twee dingen inhouden: ze zijn voor hen synoniem (en we hebben gezien dat dit regelmatig het geval is), of ze hebben een iets andere betekenis of inhoud.

De verleiding is groot ze samen te behandelen – en dat hebben we in de artikelen gedaan als ze in hetzelfde verband werden gebruikt (samen of in een parallelle passage – maar we hebben gekozen voor een systematische aanpak per woord of begrip. En daarom kijken we in de volgende artikelen naar ‘de duivel’ (diabolos).

Het zou te ver gaan om alle passages in het Nieuwe Testament waarin ‘de satan’ wordt genoemd hier op te sommen, laat staan alles wat we geschreven hebben te herhalen. We kunnen slechts in grote lijnen aangeven wie met ‘de satan’ wordt bedoeld. Wat we in de artikelen hebben gedaan is de oudtestamentische betekenis en inhoud toepassen op alle plaatsen in het Nieuwe Testament waar het woord ‘satan(as)’ wordt gebruikt. Dus het gaat altijd om een tegenstander, vijand, tegenpartij, aanklager. Daarna hebben we bekeken wat of wie er in het verband mee wordt bedoeld of kan bedoeld zijn. Dat is de enige legitieme wijze van (consequente) Bijbeluitleg.

Het is eenvoudig vast te stellen dat een deel van het gebruik van het begrip ‘satan’ betrekking heeft op mensen:

a) Petrus staat Jezus in de weg (Mat 16:23, Mar 8:33).

b) Joden en de Romeinse overheid verzetten zich tegen het geloof in Jezus (2 Kor 2:10, 1 Tes 2:18, Op 2:13, 3:9; mogelijk 2 Kor 12:7).

c) Geestelijke tegenstanders en verleiders oefenen invloed uit op de gelovigen in Christus Jezus. In de gelijkenis van de zaaier worden met ‘de satan’ in Marcus 4:15 de schriftgeleerden en Farizeeën bedoeld, die de woorden van Jezus afdoen als van een zondaar of waanzinnige of zelfs bezetene, zodat het geloof in Jezus van de aanvankelijk enthousiaste mensen verdwijnt. Zie verder Rom 16:20, 2 Kor 11:14, 2 Tes 2:9, 1 Tim 5:15, Op 2:9, 24.

Dan is er de toepassing van het principe dat we bij Job vonden: een functie in Gods louteringsproces. Een volgeling van Christus zou zichzelf steeds vragen als deze moeten stellen:

‘waarom doe ik de dingen die ik doe?’; ‘ben ik altijd bereid te spreken en te handelen zoals God wil, en niet zoals ik denk dat het ook wel kan?’; ‘wat zou ik doen als God iets van mij vraagt dat geheel tegen mijn verwachtingen ingaat, waar ik tegenop zie?’.

Want Gods beproeving is gericht op wat wij menen te hebben en waarin wij denken ‘goed’ te zijn. Ook Jezus werd beproefd: wat zou hij doen met de grote gave en beloften die God Hem had gegeven. Hij moest steeds kiezen wat hij zou doen en hoe (Mar 14:36). Zijn motto daarbij was:

“Niet wat ik wil, maar wat U wilt”.

Als Jezus wordt gedoopt, ontvangt hij het grootste dat God kan schenken: Zijn heilige Geest. Daarbij klinkt een stem

“U bent mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen” (Mar 1:11).

Diezelfde Geest dringt hem ertoe naar de woestijn te gaan (vs. 12). Daar doet ‘de satan’ zijn beproevingswerk, zoals we dat bij Job hebben gezien. Daaruit moet blijken of Jezus het inderdaad waard is Gods Zoon genoemd te worden (en God dus rechtvaardig is in Zijn keuze), en hij in staat is het werk te doen waarvoor God hem uitzendt onder Zijn volk.
Want hij mag niet falen! In de woestijn is niets, en Jezus had ook niets bij zich. De overwegingen en aanvechtingen die hij had, kon hij alleen overwinnen door zijn kennis van Gods wil tot zijn leidraad te nemen:

“Staat er niet geschreven …”.

Want dat zou hij ook moeten doen tijdens zijn werk onder een ongelovig volk, dat zijn werk zou afbreken, Hem zou uitdagen, tarten, vernederen, willen doden. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn taak. Hij had de taak Jezus te testen, en hij heeft die glansrijk doorstaan. In de woestijn, tijdens zijn werk onder het volk, en tijdens zijn aanvechtingen in de tuin van Getsemane en aan het stuk hout.

Vergelijkbaar hiermee is wat Jezus zegt tegen zijn discipelen over dat ‘de satan’ hen heeft willen “ziften als de tarwe” (Luk 22:31). Ziften is het ontdoen van kaf en vuil, zodat alleen de tarwekorrels overblijven. Interessant is dat hier voor het eerst ook de taak van middelaar, pleitbezorger, advocaat, van Jezus zichtbaar wordt:

“Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken”.

Zie verder 1 Kor 5:5, 7:5, 1 Tim 1:20. Dus waar Job om vroeg is nu werkelijkheid geworden.
Lukas 13:16 – De vrouw was vanwege haar bloedvloeiing volgens de wet permanent onrein, en kon dus niet deel nemen aan de dienst voor God. Zij stond overal buiten en kende weinig medelijden van anderen. Niemand kon haar genezen en zij was dus een gebondene, een gevangene die vrijgemaakt moest worden van haar uiteindelijk dodelijke ziekte en het al even dodelijke oordeel van de wet. ‘De satan’ vertegenwoordigt hier het principe van de wet, dat streng en onbarmhartig werd gehandhaafd door de uitvoerders daarvan.

Tot slot de misschien op het eerste gezicht wat lastige passages.
Luk 22:3, Joh 13:27 – De woorden

“toen voer de satan in Judas”

zijn het moeilijkst te begrijpen vanuit de huidige denkwereld. Het kan echter niet zo zijn dat hier het hele idee over een bovennatuurlijke ‘satan’ kan standhouden, als overal (na een eerlijke beschouwing) duidelijk is wie of wat er wordt bedoeld.

Ons inzien kan dit worden verklaard vanuit het besef, dat wat Judas deed het ergste was dat hij kon doen: de heer die hem had gekozen om mee te werken aan de bekering van mensen, zodat zij toegang zouden krijgen tot het eeuwige leven, te verraden om een stuk land voor zichzelf te kunnen kopen. In plaats van hem te verdedigen, voor hem te pleiten, wordt hij zijn tegenpartij, zijn vijand. Niet in een opwelling, maar volgens een weloverwogen plan dat hij heeft bedacht.

Vanuit de denkwereld over het kwaad gebruiken de schrijvers dan ook het sterkste woord om die kwade overlegging en die vijandschap ten volle weer te geven. Zie ook Hand 5:3.

Mat 12:26; Mar 3:23,26; Luk 11:18 – Jezus spreekt zijn beschuldigers toe vanuit hun eigen denkwereld. Dat hij het niet eens is met hun ideeën blijkt uit zijn woorden “En indien …”. Maar hij weet dat het geen zin heeft hen aan te spreken op hun verkeerde opvattingen, omdat zij toch niet van mening veranderen. Wat dat betreft is de situatie in onze tijd niet veel anders. Wat Jezus doet is het beste dat hij kan doen: hen erop wijzen dat hij sterker is dan die ‘satan’ waarin velen zo vast geloven. Mogelijk spreekt Paulus in Handelingen 26:18 ook vanuit de denkwereld van zijn luisteraars, omdat hij dat Perzisch dualisme van duisternis en licht gebruikt.

Openbaring 12:9, 20:2 en 7 – ‘De satan’ is hier de personificatie van mensen die Gods kinderen verleiden tot zonde en hen vervolgen. Het hele boek spreekt over wereldse en verkeerde geestelijk invloeden die naar de christenen uitgaan, en de wereldlijke en kerkelijke machten die het voorzien hebben op de ware gelovigen.
Hun invloed en macht komt echter tot een definitief einde bij de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde, bij de komst van Christus (zie ook Luk 10:18).

Nu kan de vraag worden gesteld:

‘maakt het wat uit dat we weten of er een bovennatuurlijke satan is of niet?’

Het antwoord is:

‘welzeker’.

Want God oordeelt ons niet op grond van wat buiten ons is, maar van wat in ons is. Adam en Eva konden de schuld voor wat zij deden niet afschuiven op iets of iemand anders. En zo kunnen en mogen ook wij dat niet, zoals we zagen in de brief van Jacobus. Onze zonden komen voort uit onze eigen begeerten. Heel Jezus’ verlossingswerk is gebaseerd op de overwinning op die begeerten. Wat wij kennelijk niet (volmaakt) kunnen, heeft hij gedaan. God zei tegen Kaïn dat de zonde als een belager aan de deur ligt, maar waarover wij moeten heersen (Gen 4:7). Hoe zouden wij kunnen heersen over een bovennatuurlijke macht? Wij kunnen wel strijden tegen de zonde, door de verkeerde begeerten in ons te verwerpen, zoals Jezus deed. Jezus zegt aan het eind van zijn leven tegen zijn discipelen:

“Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33).

Dus niet ‘de satan’, maar de wereld. En in zijn eerste brief zegt Johannes dat wij hetzelfde moeten doen door ons geloof, evenals de heer in zijn brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Christus heeft zonde (in welke vorm en uiting ook) en de dood overwonnen. Wij moeten het kwade in ons overwinnen door het goede. Met hulp van de heer is dat mogelijk. Daarvoor geeft hij zijn woord en Geest. Dat is Gods heilsboodschap aan ons.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Oorzaak lijden en dood
  2. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  5. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

++

Aanvullend

    1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
    2. De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis
    3. De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer
    4. Bron(nen) van kwaad
    5. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
    6. Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis
    7. Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft en gevolgen van haar keuze
    8. De vrucht van de Ish en Isha
    9. Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord
    10. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
    11. De wereld van onbijbelse leer #3
    12. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
    13. Het Geschreven Woord: draak
    14. De Taal van de Bijbel: De antichrist
    15. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
    16. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
    17. Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
    18. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
    19. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
    20. Gevallen engelen en hun verblijf
    21. Hoe leest u?: Lucifer
    22. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
    23. Is een Demon een op zijn eigen bestaande geest?
    24. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
    25. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
    26. Wie brengt het Kwaad over ons
    27. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
    28. Satan het kwaad in ons
    29. Hoe de Satan vandaag rond toert
    30. Amerikaans-Iraanse voorganger Saeed Abedini plaatst omstreden bericht
    31. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
    32. Doemdenkers en ons lijden
    33. Laatste dagen omroepers
    34. De Dag is nabij #3 Niet laten verrassen
    35. Hedendaagse wonderen geen werk van Satan
    36. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
    37. Wat betreft het “Getal van de duivel”
    38. De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
    39. God meester van goed en kwaad
    40. Gedachte voor vandaag: “God vragen tegen de vijanden op te staan” (03 januari)
    41. Opgeroepen door Jezus
    42. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
    43. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme
    44. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens
    45. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #13 Onbegrijpelijk verkeerde voorstelling door het Wachttorengenootschap #2 Koninkrijk van God

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

De mens is voortdurend op zoek naar zijn identiteit:

‘Wie zijn wij en waar komen wij vandaan?’.

Voor wie niet gelooft in de Schepper is dit een nooit eindigende zoektocht. Maar in plaats van het wetenschappelijk bewijs voor onze oorsprong in de natuurwereld te zoeken, zou onderzoek naar de plaats van de mens, te midden van alle andere wezens, tot een ander resultaat kunnen leiden. Want het valt niet te ontkennen dat de mens uniek is in de natuurwereld.

De Bijbel vertelt dat wij hier niet toevallig zijn, als het product van een langzame ontwikkeling uit andere, primitievere wezens, maar dat God de mens naar Zijn plan heeft gemaakt:

“En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen in de zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipende gedierte dat op de aardbodem kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen”. (Genesis 1:26; vergelijk 9:6)

Dat dit geen primitief idee is, uit een ver verleden, toont het geloof van Jezus en de apostelen. Zij geloofden dat God verantwoordelijk is voor alle leven en dat alle mensen zijn voortgekomen uit dit eerste mensenpaar (Matth. 19:4; 1 Kor. 11 :7; Jac. 3:9). Maar wat wordt er bedoeld met:

‘naar ons beeld, als onze gelijkenis’?

De mens heeft in bepaalde opzichten een gelijkenis met zijn Schepper. Met de schepping van de mens heeft God iets van Zichzelf ‘gereproduceerd’ en er moet iets van God in de mens te herkennen zijn. Wanneer deze later zelf nageslacht voortbrengt, legt hij op zijn beurt zijn eigenschappen daarin; het zijn afdrukken van zijn wezen:

“Adam … verwekte (een zoon) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld”. (Genesis 5:3)

Hiermee worden echter niet meer het beeld en gelijkenis van God bedoeld, maar de mens zoals Adam geworden is: zondig in het vlees, zodat hij de heerlijkheid van God niet in zich draagt. Wanneer dit voor altijd was voortgegaan, zou Gods scheppingswerk een hopeloze mislukking zijn. God zei echter dat het goed was wat Hij had geschapen. In zijn alwetendheid moet Hij gezien hebben dat er uiteindelijk wel mensen met de heerlijkheid van zijn beeld en gelijkenis zouden zijn:

“Want allen hebben gezondigd en derven (lopen mis) de heerlijkheid van God”.

“… juist om de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid”. (Romeinen 9:23)

“Wij dan … hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid van God”. (Romeinen 5:1-2)

Het natuurlijke nageslacht van Adam kan Gods heerlijkheid niet weerspiegelen. Dit is een voortdurend vraagpunt van gelovigen aan God. David vroeg zich in een Psalm af welke verklaring er is voor die hoge plaats van de mens in Gods onmetelijke heelal, en de schrijver van de brief aan de Hebreeën wijst op de vervulling van Gods plan met ons in Christus Jezus:

“Wat is de mens, dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U naar hem omziet? Toch hebt U hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond”. (Psalm 8:4-9)

“… maar wij zien Jezus … met heerlijkheid en eer gekroond”. (Hebreeën 2:6-9)

In de persoon van Jezus heeft God uit de mensheid een nieuwe mens verwekt, die deze heerlijkheid van God wel draagt en weerspiegelt. De apostelen getuigen in de evangelieverslagen en brieven van wat zij hebben gezien en ervaren van deze ‘zoon des mensen’, de mens bij uitnemendheid:

“Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. (Johannes 1:14)

“Deze de afstraling van zijn heerlijkheid, en de afdruk van zijn wezen”(Hebreeën 1:3)

Zij hebben twee kanten van hem gezien: zijn gestalte als dienstknecht, die volmaakt de wil van God deed, en zijn verheerlijkte gestalte toen zij met hem op de berg waren (Luc. 9:29; 2 Petr. 1:16). Zijn verheerlijking was een voorproef van wat hij zou ontvangen, wanneer hij de wil van zijn Vader tot het laatst zou doen. Hierin is hij het voorbeeld voor wie in hem gelooft:

“Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die in de gestalte van God zijnde, het God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen … heeft Hij zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd” (Filippenzen 2:5-9; vergelijk Romeinen 8:5-7).

Door verbondenheid met Christus Jezus, en in hun leven dezelfde gezindheid te tonen als hij, kunnen ook andere mensen deel krijgen aan dezelfde natuur en dezelfde heerlijkheid weerspiegelen als hij:

“Want het voegde Hem…dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun behoudenis door lijden zou volmaken”. (Hebreeën 2:10)

“Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus”. (2 Thess. 2:14; 1 Thess. 2:12;vergelijk 2 Timotheüs 2:10)

“En wij allen, die … de heerlijkheid van de Here weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid …”. (2 Korintiërs 3:18)

Wanneer dit werkelijkheid is geworden, zal Gods doel met de schepping zijn bereikt. Dan zijn de mensen als Zijn zonen, dragen zij Zijn beeld en zal de aarde van Zijn heerlijkheid vol worden:

“En gelijk wij het beeld van de stoffelijke (Adam) gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse (Christus) dragen”. (1 Korintiërs 15:49)

“… met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God … maar ook wij zelf…zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap… Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen”. (Romeinen 8:19-30)

“Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn”. (Openbaring 21:7)

“Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij (Christus) zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen …”. (1 Johannes 3:2)

Psalm 8 en de heerlijkheid van de mens in Christus Jezus

De aandacht van gelovigen richt zich op Gods doel met de schepping van de mens, zoals geopenbaard in het boek Genesis (1:26). Koning David schreef in Psalm 8 een overdenking hiervan. Hij zag de heerlijkheid van de Hemelkoning (verzen 1-4), die de mens schiep om zijn onderkoning op aarde te zijn (vergelijk Genesis 41:40) en te regeren over alle wezens daarop (verzen 4-9). Omdat het hier om Adam ging, heeft David waarschijnlijk in eerste instantie een specifieke mens op het oog. In Psalm 21:6 beschouwt hij zijn eigen unieke positie als koning op Gods troon op aarde. In Psalm 72 spreekt hij over zijn zoon Salomo. Maar beide waren zij niet de eeuwige koning die God beloofde (zie 2 Samuël 7:11-29; Psalm 21:5 en 72:17). Genesis 1 en Psalm 8 vormen dan ook het begin van een rode draad in de openbaring van Gods doel met de mens, die ons leidt tot het Nieuwe Testament en de daarin geopenbaarde vervulling in Christus Jezus (Luc. 10:22; Ef. 1:21-22; 1 Kor. 15:25-27; Hebr. 1:1-4en 2:5-9; Kolos. 1:15-17) en doorgaat in allen die geloven (Hebr. 2:10; Rom. 8:17).

*

 

Photo by Karolina Kaboompics on Pexels.com

 

Vraag ter overdenking:

Hoe kunt u worden tot een nieuwe mens, naar het beeld van Christus?

 

+

Voorgaande

Al-Fatiha [De Opening] Surah 1: 4-7 Barmhartige Heer van de Schepping om ons de juiste weg te tonen

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

++

Aansluitende lectuur

  1. De Schepper achter eerste levende wezens
  2. Bereshith 2:15-25 v 18-25 Een Hulp voor de man of een Vrouw in het vizier
  3. Betreft de Mens
  4. Betreffende het spirituele lichaam
  5. Begin van leven op aard: schepping of evolutie
  6. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  7. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Wat is de mens…?
  8. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Heerschappij mens en luister
  9. Gebed na het lezen van Psalm 8
  10. De toorn van God
  11. De Verlosser 3 Zijn menselijke kant
  12. Schepping geschenk van God
  13. EO-directie: ‘Wij geloven in God als Schepper’

Why think that (2) … Jesus claimed to be something special

As discussed in the previous post, Jesus is mentioned here and there by some non-Christians, like the Jewish historian Josephus and the Roman historian Tacitus. But our main source of information is that provided by the early Christians themselves. This evidence comes in two main types. There are the gospels (Matthew, Mark, Luke, John), which are conventionally dated from around 70 AD but may well be earlier. Then there are letters that early Christians sent to individuals or churches. There are a number of these in the Bible, many of which were probably written before the gospels. Taken together these provide us with a lot of information about Jesus and who he claimed to be.

First page of the Gospel of Mark, by Sargis Pi...

Gospel sources – First page of the Gospel of Mark, by Sargis Pitsak, a Medieval Armenian scribe and miniaturist (Photo credit: Wikipedia)

We should comment at this point about the way we’re using these sources. Though they come from the Bible, they are also historical sources and we’re going to treat them in that way. So at this point we’re not too bothered about whether every last detail of the gospels is correct or not. Nor need we be concerned about whether these documents also contain messages from God. We can leave such issues till later. For now we can just look these documents for what they are – ancient documents, which contain information about Jesus, written by people who were in a position to know. So what do these sources say about who Jesus claimed to be?

Well, the most obvious one is that Jesus was called “Christ” (or more properly, the Christ) – that’s where the name “Christians” come from. “Christ” is the Greek word meaning “anointed” , equivalent of the Hebrew word “Messiah”. The concept of being “anointed” refers to the ceremony by which someone was made king in ancient Israel. (There is a good example of this in the Old Testament when David is anointed as king – see 1 Samuel 16). By the time of Jesus the kingdom of Israel had long since been destroyed and the Jews were essentially living under Roman rule. But the Old Testament prophets had predicted that the royal line of the ancient kings of Israel would be restored and that there would be a king again. Many Jews living at the time of Jesus expected the Messiah to be someone who would lead them to overthrow the Romans so they could be an independent nation again. What is interesting about Jesus is that, though he claimed to be the Messiah – the promised king, he did not attempt to lead an armed rebellion against Rome. So whilst Jesus was claiming to be a king, he was not the king they were expecting.

The most common phrase Jesus used to describe himself as “Son of Man”. That may sound like an odd way to describe yourself, and it was even at the time. In the language of the day – Aramaic – the expression “son of man” was used to refer to humanity in general. But that’s not the way Jesus uses it. He doesn’t describe himself as a son of man but as the Son of Man. So what was he getting at? The Old Testament prophet Daniel presents a picture of human history, where nations are represented by vicious beasts (Daniel 7). But this succession of beast-nations does not last forever. At the end of the vision, a court is held with God seated as judge. Power and authority is taken away from the beasts and given to a new character who is described as “one like the son of man”. This character receives a kingdom from God that will last forever. So when Jesus describes himself as the Son of Man, he is claiming to be the future king, the one who will receive a kingdom from God. But not a kingdom like the human kingdoms that preceded it. Instead this is good kingdom that will last forever.

Jesus is often described as being the Son of God. And frequently Jesus presents himself as having a unique father-son relationship with God. He is not saying that he is a child of God in the sense that all God’s creatures are his children. He is claiming that he has a relationship with God that is entirely unique. The gospels include the stories about Jesus’ birth, whereby his mother, Mary, becomes pregnant despite being a virgin. According to the gospels Jesus had no biological father (though no doubt Joseph cared for Jesus as his own son). So in a very real sense God was Jesus’ father. But being the Son of God is not just about parentage. Jesus claimed to have a very special relationship with God. The gospel writers describe Jesus has having special power to perform miracles, special wisdom to teach people God’s ways and special authority to forgive sins. Jesus was not simply claiming to be a prophet or holy man, but God’s special representative on earth.

Lastly, Jesus took the remarkable step of claiming that he was going to die. And not in battle, or by murder, but that he was going to die to free people from sin. He says:

The Son of Man did not come to be served, but to serve, and to give his life as a ransom for many (Mark 10:45)

Westvorhalle der Stiftsbasilika St. Vitus, Ell...

The King of the Jews (INRI) Nailed to death – Westvorhalle der Stiftsbasilika St. Vitus, Ellwangen (Jagst) Kreuzaltar, Hans und Matthäus Schamm (Ottobeuren) zugeschrieben, um 1610; detail: Christushaupt und INRI (Photo credit: Wikipedia)

And the early Christians reflecting on the death of Jesus also recognised it as a special death. A preacher named Paul wrote to a church explaining the things he had learnt from talking to those who knew Jesus. He writes:

What I received I passed on to you as of first importance: that Christ died for our sins (1 Corinthians 15:3)

Now Jesus did die. He was executed. He was nailed to a cross by Roman soldiers and died gasping for air. He died the death of a criminal. He should have been forgotten by history. But his followers understood his death differently. This was not the last disgrace of a failed prophet. This was the turning point of history. When God’s representative on earth made the ultimate sacrifice to so that people could be forgiven for the things they’d done wrong and start a new life.

So that’s what Jesus claimed about who he was and what he would achieve. But is it true? Was Jesus a future king? Was Jesus God’s representative on earth? And did Jesus’ death provide a way for us to change our relationship with God? Well there is one more thing that the early Christians claimed about Jesus: that he rose from the dead – that he stopped being dead and came alive again. And if that is true then we’re no longer dealing with the claims of a human man but with a moment when God intervened in history to change the world.

+

 Preceding: Why think that (1) … Jesus existed?

++

Related articles:

  1. Prophets making excuses
  2. Written to recognise the Promissed One
  3. Patriarch Abraham, Muslims, Christians and the son of God
  4. Story of Jesus’ birth begins long before the New Testament
  5. Jesus begotten Son of God #3 Messiah or Anointed one
  6. Nazarene Commentary Matthew 3:13-17 – Jesus Declared God’s Son at His Baptism
  7. Servant of his Father
  8. Slave for people and God
  9. People Seeking for God 5 Bread of life
  10. The Anointed One and the first day of No Fermentation
  11. Anointing of Christ as Prophetic Rehearsal of the Burial rites
  12. Atonement And Fellowship 5/8
  13. Atonement And Fellowship 6/8
  14. Entrance of a king to question our position #2 Who do we want to see and to be
  15. How is it that Christ pleased God so perfectly?
  16. Wishing to do the will of God
  17. For the Will of Him who is greater than Jesus
  18. Imprisonment and execution of Jesus Christ
  19. Marriage of Jesus 7 Impaled
  20. A Messiah to die
  21. Death of Christ on the day of preparation
  22. In the death of Christ, the son of God, is glorification
  23. 14 Nisan a day to remember #1 Inception
  24. Days of Nisan, Pesach, Pasach, Pascha and Easter
  25. After the Sabbath after Passover, the resurrection of Jesus Christ
  26. The Song of The Lamb #6 Revelation 14
  27. Jerusalem and a son’s kingdom
  28. Kingdom Visions of a Man, Throne and Great crowd
  29. Signs of the Last Days
  30. Getting out of the dark corners of this world
  31. The Immeasurable Grace bestowed on humanity
  32. Ye are all the children of God by faith in Christ Jesus. Galatians 3:26
  33. A Living Faith #6 Sacrifice
  34. Self inflicted misery #7 Good news to our suffering
  35. Miracles of revelation and of providence 1 Golden Thread and Revelation

+++

  • Sunday (August 24): “You are the Christ, the Son of the living God.” (shechina.wordpress.com)
    At an opportune time Jesus tested his disciples with a crucial question: “Who do the people say that I am and who do you say that I am?” (Matthew 16:13). Jesus was widely recognized in Israel as a mighty man of God, even being compared with the greatest of the prophets, John the Baptist, Elijah, and Jeremiah. Peter, always quick to respond, exclaimed that Jesus was the Christ, the Son of the living God.
  • Jesus is the Messiah (darnellbarkman.wordpress.com)
    ‘Christ’ in early Christianity was a title, and only gradually became an alternative proper name for Jesus. In practice ‘Messiah’ is mostly restricted to the notion, which took various forms in ancient Judaism, of the coming King who would be David’s true heir, through whom YAHWEH [The Creator God’s proper name] would rescue Israel from pagan enemies.
  • Christianity Fast Facts (wdsu.com)
    Followers of the Christian religion base their beliefs on the life, teachings, and death of Jesus Christ.Christians believe in one God that created heaven, earth, and the universe.
    +
    On the third day after his crucifixion, Jesus Christ arose from the dead.
    +
    The first Christians were Jews who came to believe Jesus was the Messiah. Gentiles (non-Jews) also made up a large majority of its followers, as is the case today.
  • Secular Israel vs Biblical Israel: Are they the Same? (endtimesprophecyreport.wordpress.com)
    With the Gaza War resuming in earnest, now seems to be the time for a few observations about the secular state of Israel, biblical Israel, Jews, the synagogue of Satan and the deliberate Corporate (and other) Media smokescreens which obscure these subjects.
    +
    Of course, the largest mistake–and there are quite a few in the linked piece, which is relatively short–is that one cannot separate the Jews as a people from the actions taken by the leadership of the secular state of Israel.  But we know that is a lie.
    +
    We’re commanded to warn about deception; that deception includes the secular, man-created state of Israel which is NOT biblical Israel. There are observant Jews in Israel.  They are often the victims of violence. God promises He will save His remnant–and He will.  However, make no mistake: secular Israel is not biblical Israel.  Those who confuse the two will reap the unfortunate harvest of deception.  The Christian ignores Jesus’ clear warnings in Revelation 2:9 and 3:9 at his own risk.
  • Matthew 1-7 (apologistmike.wordpress.com)
    The gospel of Matthew was written by an eyewitness to the ministry of Jesus. He was Jewish, which accounts for his emphasis on the Jewish scriptures in the work, and he was a tax collector for the Roman government. This would have enabled him to write effectively. Many early fathers such as Clement of Rome, Polycarp, Justin Martyr, Clement of Alexandria, Tertullian and Origen recognized Matthew as the author of the gospel.
  • FFOZ TV Review: Messiah (mymorningmeditations.com)
    The term Christ is one of the most important terms in all of Scripture and yet is seldom fully understood by followers of Jesus. In episode two we will explore the prophecies of the Hebrew Scriptures and learn about the Jewish people’s expectation of the coming messiah. We will study the Hebrew Scriptures and learn that they speak of a coming anointed one, a king who will come to redeem mankind, defeat Israel’s enemies, and set up his kingdom.
  • Simple Truth: Jesus is not the Messiah (leavingjesus.wordpress.com)
    “Christ” is the Greek word for “Messiah”
    “Messiah” is the transliteration of a Hebrew word that means “anointed”
  • “The Christ is the Son of David” (worryisuseless.wordpress.com)
    Why did Jesus question the Jews on the claim that their Messiah or Christ would be the son of David? After all the New Testament makes clear that Jesus himself is a direct descendant from the line of David’s throne (Romans 1:3, 2 Timothy 2:8, Matthew 1:1-17, Luke 3:23-38). Jesus posed the question to make his hearers understand that the Messiah is more than the son of David. Jesus makes his point in dramatic fashion by quoting from one of David’s prophetic psalms, Psalm 110: The Lord said to my Lord, Sit at my right hand, till I put your enemies under your feet. How can the son be the lord of his father?
  • Michele Bachmann Waiting to be Annointed Messiah (politicususa.com)
    What’s in a messiah, you ask? Like many terms it is problematic. Contrary to what many people may think, despite the origins of our word messianism is not unique to Judaism. In fact, in historical terms we can’t even speak of “Judaism” singular because there were in fact many Judaisms with different ways of life and different worldviews.[1] So not only is there not one Jewish idea (or Christian idea) of what a messiah is but not all ideas of messiahs are Jewish (or Christian).