Fundamenten van het Geloof 21. De duivel in het Nieuwe Testament (1)

In de vorige artikelen over het fundament van het geloof hebben de figuur Satan toegelicht.

We zagen dat het Hebreeuwse woord of groep van woorden, dat op vele plaatsen in Bijbelvertalingen vertaald is als de naam Satan, eigenlijk een Bijbelse aanduiding is voor elke tegenstander van de hemelse Vader, Jehovah God. Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, keken we daarom aan de hand daarvan die betekenis van ‘de satan’ naar het gebruik in het Nieuwe Testament.

De duivel in het Nieuwe Testament (1)

De betekenis van woorden

Na alles rond satan te hebben onderzocht, vraagt het begrip duivel onze aandacht. Zoals we al zagen, kent het Aramees/Hebreeuws dit begrip niet. Het komt dan ook niet voor in de geschriften van het Oude Testament.

Toen veel Joden in de Grieks sprekende wereld woonden, werden verschillende Griekse vertalingen gemaakt van de Schriften. De ons meest bekende is de Septuaginta, waarin het woord satan slechts één maal onvertaald werd gelaten (1 Koningen 11:14).

In de meeste andere gevallen werd het vertaald met diabolos. In het (klassieke) Grieks is het soms een wat sterker woord dan satan; maar als we de Oudtestamentische betekenis in gedachten houden, is het geschikt als equivalent. Ook de schrijvers van de Nieuwtestamentische geschriften dachten er kennelijk zo over, want de meeste van hen (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Paulus en Jacobus) gebruiken de begrippen door elkaar. Petrus, Judas en de schrijver van de Hebreeënbrief bezigen alleen diabolos.

Ons probleem is dat wij de oorspronkelijke woorden meestal niet kennen, laat staan hun inhoud en betekenis. Soms heeft een woord in de loop der tijd een zodanig andere inhoud gekregen, en kan zelfs zo beladen geworden zijn, dat we beter het oorspronkelijke woord zouden kunnen gebruiken, om duidelijker voor ogen te hebben waar het om gaat. Dat heeft men al gedaan met satan, en zou ook beter zijn wat betreft daimōn/demonen, en misschien ook wel diabolos. Dan kunnen we uitgaan van wat er staat, en voorkomen we te lezen wat wij erin menen te zien of willen zien. Wij geven nogmaals de betekenis van diabolos en verwante woorden, zoals gebruikt in de Septuaginta:


Verschillen in vertalingen

Bij ons onderzoek naar het begrip duivel stuiten we al direct op een moeilijkheid. Want als we uit zouden gaan van de Statenvertaling, vraagt dit de bestudering van veel meer passages dan wanneer we de NBG’51 of NBV 2004 vertalingen gebruiken. Het gaat hierbij om het begrip daimōn of daimonion. In de Septuaginta is dit de vertaling van twee verschillende woorden in het Hebreeuws, die betrekking hebben op dieren en afgoden. In de Statenvertaling wordt dit woord onbegrijpelijkerwijs een aantal malen vertaald met duivel(en).
De NBG’51 en de NBV 2004 doen dit echter terecht niet. Wat het Nieuwe Testament betreft wordt in de SV consequent het begrip duivel gebruikt voor diamon(ion) en de aanverwante woorden daimoniodes en daimonizomai (op Handelingen 17:18 na, waar ‘goden’ wordt gebruikt). Wat duivel ook moge betekenen, als vertaling voor de hier genoemde woorden is het niet juist. De NBV 2004 bezigt in bijna alle gevallen de vrijwel onvertaalde term demon(en) en in een aantal gevallen bezeten(e). Bezeten(e) met wat in de NBG’51 ‘boze geest(en)’ wordt/worden genoemd. Toch komen we ook in de NBG’51 twee maal duivelen tegen, en wel in Openbaring 16:14 en 18:2, waar het toch echt gaat om demonen, wat dit ook mogen zijn, en niet om diabolos. Een voorbeeld dat vertalers niet altijd letterlijk (neutraal) vertalen, maar ook interpreteren – met het gevaar van het inleggen van eigen opvattingen.

Diabolos in de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus

Vanaf nu beperken we ons tot het enige Griekse woord in het Nieuwe Testament, dat zou kunnen worden weergegeven met duivel: diabolos. Het eerste dat opvalt bij het opzoeken van alle passages waarin diabolos voorkomt, is dat zowel de Statenvertaling, de NBG’51 en De NBV 2004 op drie plaatsen afwijken van het gebruik van duivel. We vinden ze in 1 Timoteüs 3:11, 2 Timoteüs 3:3 en Titus 2:3, waar gesproken wordt van lasteren, kwaadspreken. De vertalers konden daar niet onderuit, omdat Paulus duidelijk spreekt over mensen, vrouwen – en hoewel het consequent zou zijn, kun je vanuit de heersende opvatting over wie de duivel is of wat duivelen zijn, hen moeilijk duivels noemen.
Maar als we die opvatting loslaten, past het woord duivel heel goed bij hen!

Laten we consequent zijn en kijken of het woord op andere plaatsen dezelfde inhoud en betekenis kan hebben. Als we in hoofdstuk 3 van deze eerste brief aan Timoteüs blijven, zien we dat daar in de verzen 6 en 7 ook het woord duivel voorkomt. De eerste vraag is: ‘waarom zou Paulus in vers 11 een vrouw bedoelen en in de verzen 6 en 7 een bovennatuurlijk wezen?’. De tweede vraag is: ‘waarom niet eerst kijken naar wat het meest voor de hand ligt, namelijk of het om hetzelfde gaat?’. De derde vraag is: ‘waar gaat het Paulus om; wat heeft hij voor ogen?’. In vers 7 zegt Paulus dat hij niet wil dat een dienaar van God in opspraak komt. Anders gezegd: een dienaar van God mag niets doen dat mensen buiten de gemeente aanleiding tot kwaadsprekerij en laster geeft over een gelovige of gemeente. Petrus schrijft over het gevaar van verkeerd gedrag van leden van de gemeente:

“zodat door hun schuld de weg van de waarheid gelasterd zal worden” (2 Pet 2:2).

Het gaat bij wat Paulus schrijft aan Timoteüs en in deze brief van Petrus dus om dezelfde gedachte: in het ene geval vrouwen in de gemeente die kwaadspreken over anderen, in het andere mensen buiten de gemeente die kwaadspreken over (leden van) de gemeente.
En als het in twee verzen in dezelfde passage gaat over mensen, is het dan redelijk te stellen dat de duivel vers 6 een kwade bovennatuurlijke macht is?

De werkwoordsvorm peirazo van het Griekse woord peirasmos, heeft de betekenis van testen, beproeven, proberen. Beide worden in de Bijbel gebruikt voor het op de proef stellen van gelovigen. Het ligt aan de bedoeling van de beproever hoe we dat moeten opvatten. Bij goede bedoelingen is het op de proef stellen, om vast te stellen of de ander bruikbaar is en om hem of haar te verbeteren. Dit is hoe God werkt. Hij heeft een positief, levenbrengend doel voor ogen.

Jacobus zegt nadrukkelijk dat God een mens niet verzoekt (Jac 1:13); en de schrijver van de Hebreeënbrief toont mensen die vasthielden aan hun geloof, toen zij op de proef werden gesteld (11:37). Bij kwade bedoelingen is het verzoeking, in de hoop dat de ander zwicht voor de verleiding. Dan is het negatief, dodelijk bedoeld. Toen koning Balak van Moab aan Bileam vroeg hoe hij van de Israëlieten af kon komen

“leerde hij hem de kinderen van Israël een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren” (Op 2:14).

Lucas stelt de komst van schriftgeleerden om Jezus te verzoeken voor als het spannen van een strik, met de bedoeling hem

“te vangen in iets, dat hij zich zou laten ontvallen” (Luc 11:53),

zodat zij hem konden aanklagen. Datzelfde beeld gebruikt Paulus in 1 Timoteüs 3:7

“opdat hij niet in opspraak komt en in een strik van de duivel valt”.

Ook in 2 Timoteüs 2:26 vinden we dit terug. Wat Paulus hier zegt, is het best te begrijpen vanuit wat Petrus schrijft in zijn tweede brief. Hij zegt dat er mensen zijn die gelovigen – “die zich ternauwernood aan degenen die in dwaling verkeren, ontrekken” (2:18) – verleiden tot zonde. Wie toegeeft, zegt hij, is er daarna erger aan toe dan voordat hij of zij tot geloof kwam:

“Wanneer men immers door de kennis van Jezus Christus, onze heer en verlosser, de besmetting van de wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste” (2:20 Petrus Canisius Vertaling).

De duivel waar Paulus over spreekt, moet evenals satan gelezen worden als de belasteraar, (valse) aanklager, de hater, de vijand. En dan valt alles op zijn plaats. In dat licht kan ook 1 Timoteüs 3:6 worden begrepen. Jezus viel in het oordeel of vonnis van ‘de duivel’ – de hem vijandig gezinde Joodse leiders – toen hij erkende dat hij de Christus was:

“Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de godslastering gehoord. Wat dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: Hij is de dood schuldig” (Mat 26:65,66).

Zij hadden hem een strik gezet, en in hun ogen hadden zij hem daar nu in gevangen.

Diabolos in andere brieven

Nu zijn andere uitspraken over ‘de duivel’ niet moeilijk meer te begrijpen. Paulus waarschuwt:

“geef de duivel geen voet” (Efez 4:27).

Dat wil zeggen: Doe en zeg niets dat onze vijanden aanleiding geeft tot laster, smaad of een aanklacht.
En zijn woorden

“Doe de wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel” (6:11),

passen bij het oppassen voor de ‘strik van de duivel’ waar Paulus en Petrus over schrijven. Daarbij kunnen we de oproep van Jacobus voegen:

“biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden” (4:7).

Daar hebben we die ‘wapenrusting’ voor nodig; en wie die gebruikt is zeker van de overwinning. Dit is een weerklank van wat God zei tegen Kaïn, toen hij met moordplannen rondliep:

“indien u niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, maar waarover u moet heersen” (Gen 4:7).

Bij hem ging het om zijn eigen vijandige gedachten (vanuit jaloerse haat) tegen Abel, waardoor hij zich liet verleiden zijn broer te doden. Dus zijn ’ik’, geen vijand van buitenaf, en zeker geen machtige bovennatuurlijke. Want hoe had hij daarover kunnen ‘heersen’?

Voor de gelovigen nu zijn er vaak wel verleidingen van buitenaf: mensen die ons willen laten meedoen met wat gewoon is in de wereld, of ons ‘chanteren’ door te dreigen iets te doen dat voor ons onaangenaam is, als wij Christus willen navolgen en trouw willen zijn aan het woord van de apostelen. Dat is hoe God ons test: kiezen wij voor Hem, of voor een ‘probleemloos’ bestaan nu.

Ook Petrus schrijft de gelovigen dat zij de vijand weerstand moeten bieden:

“Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weerstaat hem, vast in het geloof, wetende dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten” (1 Pet 5:8).

Maar hier gaat het om iets levensbedreigends: vervolging. Hij noemt ‘de tegenpartij’ niet bij name, maar het is duidelijk wie hij bedoelt: de Joden, Herodes, en de Romeinse overheid (zie Hand 4:27). De vijand zoekt de zwakke plekken (‘wie hij kan verslinden’). ‘Weerstaan’ betekent niet ‘met geweld ertegen verzetten’, maar niet toegeven aan hun eisen. Want wie aan vervolging ontkomt door te doen wat de aardse vijand vraagt, wordt een vijand van Christus. De Joodse Raad eiste van de apostelen dat zij zouden ophouden met te spreken over Christus Jezus; maar zij zeiden:

“Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven”.

Zij dreigden hen, maar lieten hen vrij, omdat zij

“geen vorm konden vinden om hen te straffen” (Hand 4:18-21).

Korte tijd later werden zij gegeseld, omdat zij niet zwegen (Hand 5:40). Jezus zegt tegen gelovigen in Smyrna:

“Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt … Wees getrouw tot de dood en ik zal u geven de levenskroon” (Op 2:10).

Het is dus zaak stevig in de schoenen te staan, en vol overtuigd te zijn van de waarheid, zodat we de proef doorstaan.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  2. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  3. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen
  4. Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

 

++

Aanvullend

  1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
  2. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  3. Rosj Hasjana om na te denken wat wij met de wondere schepping van God doen
  4. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
  5. God meester van goed en kwaad
  6. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  7. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  8. Zonde en rekenschap
  9. Zonde en rekenschap
  10. Lucifer
  11. Satan of Duivel
  12. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
  13. Wat betreft het “Getal van de duivel”
  14. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  15. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  16. Gevallen engelen en hun verblijf
  17. Hoe de Satan vandaag rond toert
  18. Satan het kwaad in ons
  19. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  20. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  21. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
  22. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  23. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
  24. Op weg naar het eindstation

Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

De satan (samenvatting)

De afgelopen twee en een half jaar zijn in ons Nederlandstalig tijdschrift 12 artikelen gewijd aan de betekenis van ‘de satan’ in het Oude en het Nieuwe Testament. Dat lijkt veel, maar het is bij zo’n controversieel onderwerp beter rustig alle passages te bekijken, dan snelle conclusies te trekken. Gezien deze lange tijd en de vele uitleg, is het begrijpelijk als u het gevoel heeft het overzicht een beetje kwijt te zijn. Het lijkt ons daarom goed, alvorens over te gaan tot de betekenis van ‘de duivel’ in het Nieuwe Testament, een (lange) samenvatting te geven van wat we hebben gevonden over ‘de satan’.

Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament

Satan’ kan in het Hebreeuws zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Het heeft de betekenis van iemand die tegenover je staat, in de zin van een tegenstander (bijvoorbeeld in de strijd) of de tegenpartij in een rechtszaak (vertegenwoordigd door de aanklager). Het woord komt 32 maal voor, waarvan 14 in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het zijn de volgende plaatsen: Als zelfstandig naamwoord: Numeri 22:22; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:22; 1 Koningen 5: 4; 11:14, 23, 25; 1 Kronieken 21:1; Job hoofdstukken 1 en 2 (14x); Psalm 109:6; Zacharia 3 (3x).
Als werkwoord: Psalm 38:20, 71:13, 109: 4, 20, 29; Zacharia 3:1.

Omdat Gods openbaring in het Oude Testament de basis is voor het verstaan van Zijn heilswerk in Christus, zullen we altijd daarin naar de sleutel moeten zoeken voor het verstaan van de taal en boodschap van het Nieuwe Testament.
Wat opvalt bij het lezen van de genoemde passages, is dat er nergens sprake is van een bovennatuurlijke kwade macht. Het tegendeel is eerder het geval.

In het geval van Bileam in Numeri 22 is een engel van Jehovah zijn ‘satan’, die hem letterlijk in de weg staat, tegenhoudt om te doen wat hij (tegen de wil van God in) van plan is te doen. In het geval van koning Salomo in 1 Koningen 11 is er zelfs sprake van meerdere ‘satans: menselijke koningen. In 1 Samuel 29 zien de Filistijnen David als hun mogelijke ‘satan’ als zij willen uittrekken tegen het Israël van koning Saul; dus als iemand die zich tegen hen zou keren als het eenmaal tot een strijd zou komen. In 2 Samuel 19 beschouwt koning David zijn legeraanvoerders als zijn ‘satans’, omdat zij iets willen doen dat tegen Davids rechtvaardigheidsprincipes ingaat. Koning Salomo zegt in 1 Koningen 5 dat er in zijn rijk vrede heerst, omdat zijn vader alle ‘satans’, menselijke tegenstanders, heeft verslagen in de vele oorlogen die hij voerde. In de Psalmen 38, 71 en 109 spreekt David over mensen uit zijn eigen volk die hem haten, zich tegen hem verzetten en zijn leven belagen.

In 1 Kronieken 21 ligt de zaak wat ingewikkelder. Daar staat:

“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan tot …”.

Maar we mogen voor een verklaring hiervan niet zomaar een opvatting uit later tijd toepassen. We moeten die zoeken binnen de normale betekenis van het gebruikte woord, en aan de hand van andere plaatsen in de Bijbel waar meer gezegd wordt over dezelfde gebeurtenis. Nu staat er in de parallelle passage in 2 Samuel 24:1:

“ … Jehovah… zette David tegen hen (Israël) op …”.

Het is aannemelijk dat de tekst in Samuel ouder is dan in Koningen, mogelijk geschreven door de profeet Nathan, die als geen ander wist wat er rond David gebeurde. In ieder geval kan uit de oorzaak – “de toorn van Jehovah tegen Israël” – niet anders worden geconcludeerd dan dat God Zijn volk duidelijk wilde maken dat het op de verkeerde weg was. We hoeven echter die ‘satan’ in 1 Kronieken ook niet zomaar terzijde te schuiven. Want het gebruikte woord is zeker toepasselijk, omdat het ons brengt tot die andere betekenis, namelijk aanklager.

Ds. F.J. Pop schreef in Bijbelse woorden en hun geheim:

‘Het Hebreeuwse woord voor satan wordt gebezigd voor een figuur uit het Israëlitische recht; de vijandig gezinde aanklager van de rechtbank’.

We zien dit in Psalm 109:6, waar het gaat om een menselijke aanklager in een rechtszaak. In Zacharia 3 is ook sprake van een aanklager, maar hier is hij een figuur in een symbolische rechtszaak, die handelt om de vraag of de tempel in Jeruzalem terecht herbouwd wordt. De werkelijke aanklagers zijn bewoners van het land, die bij de Perzisch-Medische koningen de bouw van de tempel proberen tegen te houden. ‘De satan’ vertegenwoordigt in deze zaak de aanklagers. De engel is de pleiter voor Israël. God doet de uitspraak dat Hij wil dat de tempel wordt herbouwd, omdat Hij “Jeruzalem verkiest”.

Dit brengt ons tot het boek Job. Ook hier is sprake van een symbolische zitting. In dit geval moet hierin Gods rechtvaardigheid worden aangetoond inzake de zegeningen die Hij Job schenkt. Uit het gehele boek blijkt dat zelfs zijn vrienden hem ervan beschuldigen zijn rijkdommen op onrechtvaardige wijze te hebben verkregen. De afgunst van mensen brengen hen tot kwade verdachtmakingen. Maar de beschuldigingen zijn er, en Gods rechtvaardigheid eist dat aan het licht komt of beschuldigingen aan het adres van zijn gunstelingen terecht zijn of niet. De rol van ‘de satan’ in dit boek is dan ook de beschuldigingen uit de omgeving van Job onder Gods aandacht te brengen en vervolgens de beschuldigde te beproeven. In het geval van Job wordt alles wat hij heeft verworven van hem afgenomen, om te zien of hij inderdaad – zoals zijn beschuldigers zeggen – God alleen maar dient omdat Hij hem zoveel geeft, of dat hij Hem ook zonder dat alles trouw blijft. Uit het slot van het boek blijkt het ongelijk van zijn vrienden (‘de satan’ wordt niet meer genoemd!).

Job komt uit zijn beproeving met meer geloof en inzicht. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn werk. Want hij staat in Gods dienst om te onderzoeken of er een smet kleeft aan Gods gunstelingen, en vervolgens hen te beproeven zodat zij gelouterd worden en behouden worden in het oordeel.
Interessant is het gevoel van Job geheel alleen te staan; dat God hem heeft verlaten, en hij dus nergens naartoe kan gaan in zijn nood. Daarom vraagt hij om een middelaar, een pleitbezorger. Dit is van groot belang in het Nieuwe Testament, omdat daar duidelijk blijkt dat God die Pleitbezorger heeft gegeven: Jezus Christus.

De betekenis en lading van het woord in het Nieuwe Testament

Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, zullen we daarom aan de hand daarvan de betekenis van ‘de satan’ in het Nieuwe Testament moeten vinden. Voor een onbevooroordeeld onderzoek is het nodig alles te vergeten wat er wordt gezegd over wie en wat ‘de satan’ is en te lezen wat er in het verband met de rest van het verhaal staat.
Voordat we dit doen moet het volgende worden gezegd:

1. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. In de tijd van de heer Jezus en zijn apostelen waren de Hebreeuwse geschriften (ons Oude Testament) al vertaald in het Grieks. Er waren de ‘Septuaginta’ en de zogenaamde ‘Masoretische’ tekst. Het Grieks kent het woord satan niet. Vertalers (we spreken nu over de ‘Septuaginta’) zoeken dan naar een woord dat dezelfde inhoud heeft als het woord in de oorspronkelijke tekst. Daarvoor zijn zij gekomen op diabolos en de werkwoordsvorm daarvan. De inhoud hiervan is: (be)lasteraar, kwaadspreker, aanklager; vijand, hater. En we herkennen hierin wat we in het Oude Testament zagen over ‘de satan’. Opvallend is overigens dat de vertalers in 1 Koningen 11 ‘satan’ onvertaald hebben laten staan.

2. De taal van de Bijbel is heel bijzonder. We vinden er parallellisme, beeldspraak, maar ook personificatie. Dat is iets abstracts voorstellen als een persoon. We zien dat bij de wijsheid in Spreuken, maar ook bij de zonde en de dood in de brieven van Paulus. En zo is het soms ook met het kwaad, dat wordt voorgesteld als een macht die God en Zijn kinderen vijandig gezind is.

3. Ook was het gevaarlijk om in brieven, die meestal door één of meer personen werden gebracht, openlijk te spreken over de concrete vijanden van Christus die de apostelen bedoelden. Daarom gebruikten zij termen die geen bewijs konden vormen bij een aanklacht, maar voor de gelovigen duidelijk waren. In dit verband ‘satan’ als de Romeinse overheid of de Joodse leiders werden bedoeld.

4. Tijdens de eerste ballingschap is er iets veranderd in de opvattingen van velen in Israël. De profeet Jesaja moest hen waarschuwen dat zij zich in de ballingschap niet mochten inlaten met het idee van de Perzen en Meden, dat er een god is die verantwoordelijk is voor het goede (licht) en een god die verantwoordelijk is voor het kwade (duisternis) dat de mens treft. Maar er is maar één God, die zowel het duister als het licht heeft geschapen. Helaas hebben velen in Israël toch het idee van een kwade macht met goddelijke kracht overgenomen. En zo is het ook het latere christendom ingeslopen.

Maar de verantwoordelijkheid voor het kwade dat de mens doet, wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bij de mens zelf gelegd. In de hof wordt het vonnis over de eerste mens uitgesproken, niet over een satan. Jacobus zegt, om het idee te weerleggen dat, als er maar één God is, je Hem verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat een mens doet:

“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”

En dan zou je – naar de opvattingen van veel Joden en het latere christendom – verwachten dat hij dan ‘de satan’ of ‘de duivel’ aanwijst als degene die de mensen verzoekt, verleidt tot zonde. Maar dat is niet het geval! Integendeel:

“zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.”

De vetgedrukte woorden maken samen duidelijk dat hier geen ander wezen tussenpast. Het komt dus niet voort uit een ‘satan’ die zuigt en verlokt, zodat wij gaan begeren, maar uit onszelf. En dat is een boodschap die de meeste mensen niet graag horen, omdat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor onze zonden, en we dus serieuze stappen moeten doen om daarvan verlost te worden. Alleen dan kunnen we, ondanks Gods onherroepelijke doodvonnis over ons, toch bij de komst van Christus opgewekt worden en eeuwig leven ontvangen. En hoe God dat doet vertelt het Nieuwe Testament ons.

Het woord in het Nieuwe Testament

De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften gebruiken het Hebreeuwse woord satan(as) regelmatig: 36 maal. Het woord diabolos, dat de Septuaginta normaal bezigt, gebruiken deze schrijvers echter precies even vaak (wie er een Concordantie op naslaat zal zeggen dat duivel veel vaker voorkomt, maar in onze vertalingen wordt vaak ‘duivel’ gebezigd waar dat in de grondtekst niet het geval is).
Dat kan twee dingen inhouden: ze zijn voor hen synoniem (en we hebben gezien dat dit regelmatig het geval is), of ze hebben een iets andere betekenis of inhoud.

De verleiding is groot ze samen te behandelen – en dat hebben we in de artikelen gedaan als ze in hetzelfde verband werden gebruikt (samen of in een parallelle passage – maar we hebben gekozen voor een systematische aanpak per woord of begrip. En daarom kijken we in de volgende artikelen naar ‘de duivel’ (diabolos).

Het zou te ver gaan om alle passages in het Nieuwe Testament waarin ‘de satan’ wordt genoemd hier op te sommen, laat staan alles wat we geschreven hebben te herhalen. We kunnen slechts in grote lijnen aangeven wie met ‘de satan’ wordt bedoeld. Wat we in de artikelen hebben gedaan is de oudtestamentische betekenis en inhoud toepassen op alle plaatsen in het Nieuwe Testament waar het woord ‘satan(as)’ wordt gebruikt. Dus het gaat altijd om een tegenstander, vijand, tegenpartij, aanklager. Daarna hebben we bekeken wat of wie er in het verband mee wordt bedoeld of kan bedoeld zijn. Dat is de enige legitieme wijze van (consequente) Bijbeluitleg.

Het is eenvoudig vast te stellen dat een deel van het gebruik van het begrip ‘satan’ betrekking heeft op mensen:

a) Petrus staat Jezus in de weg (Mat 16:23, Mar 8:33).

b) Joden en de Romeinse overheid verzetten zich tegen het geloof in Jezus (2 Kor 2:10, 1 Tes 2:18, Op 2:13, 3:9; mogelijk 2 Kor 12:7).

c) Geestelijke tegenstanders en verleiders oefenen invloed uit op de gelovigen in Christus Jezus. In de gelijkenis van de zaaier worden met ‘de satan’ in Marcus 4:15 de schriftgeleerden en Farizeeën bedoeld, die de woorden van Jezus afdoen als van een zondaar of waanzinnige of zelfs bezetene, zodat het geloof in Jezus van de aanvankelijk enthousiaste mensen verdwijnt. Zie verder Rom 16:20, 2 Kor 11:14, 2 Tes 2:9, 1 Tim 5:15, Op 2:9, 24.

Dan is er de toepassing van het principe dat we bij Job vonden: een functie in Gods louteringsproces. Een volgeling van Christus zou zichzelf steeds vragen als deze moeten stellen:

‘waarom doe ik de dingen die ik doe?’; ‘ben ik altijd bereid te spreken en te handelen zoals God wil, en niet zoals ik denk dat het ook wel kan?’; ‘wat zou ik doen als God iets van mij vraagt dat geheel tegen mijn verwachtingen ingaat, waar ik tegenop zie?’.

Want Gods beproeving is gericht op wat wij menen te hebben en waarin wij denken ‘goed’ te zijn. Ook Jezus werd beproefd: wat zou hij doen met de grote gave en beloften die God Hem had gegeven. Hij moest steeds kiezen wat hij zou doen en hoe (Mar 14:36). Zijn motto daarbij was:

“Niet wat ik wil, maar wat U wilt”.

Als Jezus wordt gedoopt, ontvangt hij het grootste dat God kan schenken: Zijn heilige Geest. Daarbij klinkt een stem

“U bent mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen” (Mar 1:11).

Diezelfde Geest dringt hem ertoe naar de woestijn te gaan (vs. 12). Daar doet ‘de satan’ zijn beproevingswerk, zoals we dat bij Job hebben gezien. Daaruit moet blijken of Jezus het inderdaad waard is Gods Zoon genoemd te worden (en God dus rechtvaardig is in Zijn keuze), en hij in staat is het werk te doen waarvoor God hem uitzendt onder Zijn volk.
Want hij mag niet falen! In de woestijn is niets, en Jezus had ook niets bij zich. De overwegingen en aanvechtingen die hij had, kon hij alleen overwinnen door zijn kennis van Gods wil tot zijn leidraad te nemen:

“Staat er niet geschreven …”.

Want dat zou hij ook moeten doen tijdens zijn werk onder een ongelovig volk, dat zijn werk zou afbreken, Hem zou uitdagen, tarten, vernederen, willen doden. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn taak. Hij had de taak Jezus te testen, en hij heeft die glansrijk doorstaan. In de woestijn, tijdens zijn werk onder het volk, en tijdens zijn aanvechtingen in de tuin van Getsemane en aan het stuk hout.

Vergelijkbaar hiermee is wat Jezus zegt tegen zijn discipelen over dat ‘de satan’ hen heeft willen “ziften als de tarwe” (Luk 22:31). Ziften is het ontdoen van kaf en vuil, zodat alleen de tarwekorrels overblijven. Interessant is dat hier voor het eerst ook de taak van middelaar, pleitbezorger, advocaat, van Jezus zichtbaar wordt:

“Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken”.

Zie verder 1 Kor 5:5, 7:5, 1 Tim 1:20. Dus waar Job om vroeg is nu werkelijkheid geworden.
Lukas 13:16 – De vrouw was vanwege haar bloedvloeiing volgens de wet permanent onrein, en kon dus niet deel nemen aan de dienst voor God. Zij stond overal buiten en kende weinig medelijden van anderen. Niemand kon haar genezen en zij was dus een gebondene, een gevangene die vrijgemaakt moest worden van haar uiteindelijk dodelijke ziekte en het al even dodelijke oordeel van de wet. ‘De satan’ vertegenwoordigt hier het principe van de wet, dat streng en onbarmhartig werd gehandhaafd door de uitvoerders daarvan.

Tot slot de misschien op het eerste gezicht wat lastige passages.
Luk 22:3, Joh 13:27 – De woorden

“toen voer de satan in Judas”

zijn het moeilijkst te begrijpen vanuit de huidige denkwereld. Het kan echter niet zo zijn dat hier het hele idee over een bovennatuurlijke ‘satan’ kan standhouden, als overal (na een eerlijke beschouwing) duidelijk is wie of wat er wordt bedoeld.

Ons inzien kan dit worden verklaard vanuit het besef, dat wat Judas deed het ergste was dat hij kon doen: de heer die hem had gekozen om mee te werken aan de bekering van mensen, zodat zij toegang zouden krijgen tot het eeuwige leven, te verraden om een stuk land voor zichzelf te kunnen kopen. In plaats van hem te verdedigen, voor hem te pleiten, wordt hij zijn tegenpartij, zijn vijand. Niet in een opwelling, maar volgens een weloverwogen plan dat hij heeft bedacht.

Vanuit de denkwereld over het kwaad gebruiken de schrijvers dan ook het sterkste woord om die kwade overlegging en die vijandschap ten volle weer te geven. Zie ook Hand 5:3.

Mat 12:26; Mar 3:23,26; Luk 11:18 – Jezus spreekt zijn beschuldigers toe vanuit hun eigen denkwereld. Dat hij het niet eens is met hun ideeën blijkt uit zijn woorden “En indien …”. Maar hij weet dat het geen zin heeft hen aan te spreken op hun verkeerde opvattingen, omdat zij toch niet van mening veranderen. Wat dat betreft is de situatie in onze tijd niet veel anders. Wat Jezus doet is het beste dat hij kan doen: hen erop wijzen dat hij sterker is dan die ‘satan’ waarin velen zo vast geloven. Mogelijk spreekt Paulus in Handelingen 26:18 ook vanuit de denkwereld van zijn luisteraars, omdat hij dat Perzisch dualisme van duisternis en licht gebruikt.

Openbaring 12:9, 20:2 en 7 – ‘De satan’ is hier de personificatie van mensen die Gods kinderen verleiden tot zonde en hen vervolgen. Het hele boek spreekt over wereldse en verkeerde geestelijk invloeden die naar de christenen uitgaan, en de wereldlijke en kerkelijke machten die het voorzien hebben op de ware gelovigen.
Hun invloed en macht komt echter tot een definitief einde bij de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde, bij de komst van Christus (zie ook Luk 10:18).

Nu kan de vraag worden gesteld:

‘maakt het wat uit dat we weten of er een bovennatuurlijke satan is of niet?’

Het antwoord is:

‘welzeker’.

Want God oordeelt ons niet op grond van wat buiten ons is, maar van wat in ons is. Adam en Eva konden de schuld voor wat zij deden niet afschuiven op iets of iemand anders. En zo kunnen en mogen ook wij dat niet, zoals we zagen in de brief van Jacobus. Onze zonden komen voort uit onze eigen begeerten. Heel Jezus’ verlossingswerk is gebaseerd op de overwinning op die begeerten. Wat wij kennelijk niet (volmaakt) kunnen, heeft hij gedaan. God zei tegen Kaïn dat de zonde als een belager aan de deur ligt, maar waarover wij moeten heersen (Gen 4:7). Hoe zouden wij kunnen heersen over een bovennatuurlijke macht? Wij kunnen wel strijden tegen de zonde, door de verkeerde begeerten in ons te verwerpen, zoals Jezus deed. Jezus zegt aan het eind van zijn leven tegen zijn discipelen:

“Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33).

Dus niet ‘de satan’, maar de wereld. En in zijn eerste brief zegt Johannes dat wij hetzelfde moeten doen door ons geloof, evenals de heer in zijn brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Christus heeft zonde (in welke vorm en uiting ook) en de dood overwonnen. Wij moeten het kwade in ons overwinnen door het goede. Met hulp van de heer is dat mogelijk. Daarvoor geeft hij zijn woord en Geest. Dat is Gods heilsboodschap aan ons.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Oorzaak lijden en dood
  2. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  5. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

++

Aanvullend

    1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
    2. De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis
    3. De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer
    4. Bron(nen) van kwaad
    5. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
    6. Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis
    7. Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft en gevolgen van haar keuze
    8. De vrucht van de Ish en Isha
    9. Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord
    10. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
    11. De wereld van onbijbelse leer #3
    12. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
    13. Het Geschreven Woord: draak
    14. De Taal van de Bijbel: De antichrist
    15. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
    16. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
    17. Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
    18. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
    19. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
    20. Gevallen engelen en hun verblijf
    21. Hoe leest u?: Lucifer
    22. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
    23. Is een Demon een op zijn eigen bestaande geest?
    24. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
    25. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
    26. Wie brengt het Kwaad over ons
    27. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
    28. Satan het kwaad in ons
    29. Hoe de Satan vandaag rond toert
    30. Amerikaans-Iraanse voorganger Saeed Abedini plaatst omstreden bericht
    31. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
    32. Doemdenkers en ons lijden
    33. Laatste dagen omroepers
    34. De Dag is nabij #3 Niet laten verrassen
    35. Hedendaagse wonderen geen werk van Satan
    36. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
    37. Wat betreft het “Getal van de duivel”
    38. De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
    39. God meester van goed en kwaad
    40. Gedachte voor vandaag: “God vragen tegen de vijanden op te staan” (03 januari)
    41. Opgeroepen door Jezus
    42. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
    43. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme
    44. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens
    45. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #13 Onbegrijpelijk verkeerde voorstelling door het Wachttorengenootschap #2 Koninkrijk van God

Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

Personificatie

Maar wie of wat is ‘de duivel’, die de schrijver als ‘verantwoordelijke’ voor de dood aanwijst?

We zagen in 2 Timoteüs dat Paulus hier ‘de zonde’ voor verantwoordelijk stelt. We hebben daarom te maken met begrippen die als synoniemen worden gebruikt. Daarnaast zijn ze ‘personificaties’. Een wijze van zeggen waarbij een abstract fenomeen als een persoon wordt voorgesteld. Hetzelfde zien we in Spreuken bij ‘de wijsheid’, in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs bij ‘de liefde’ (hoofdstuk 13), en zo zijn er veel meer voorbeelden in de Bijbel.

Het zal een ieder duidelijk zijn dat hier geen concrete personen zijn bedoeld (hoewel velen in ‘de wijsheidChristus zien, is daar in Spreuken geen enkele aanleiding toe, en nergens in het Nieuwe Testament wordt daar in verband met Christus naar verwezen). Zo is ook een/de ‘duivel’ geen persoon of wezen, maar een aanduiding voor de zonde of voor wie/wat tot zonde verleidt.

De aanklager is overwonnen

Openbaring 12:7-12 e.v. legt het verband met Lucas 10:18, maar ook met Matteüs 12:29. Want hier vinden we veel terug van wat we daar hebben gezien: de kracht van God, Zijn koningschap (koninkrijk), de satan als aanklager, de overwinning van Christus op de zonde en de dood, de strijd van zijn volgelingen tegen de verleiding tot zonde om het eeuwige leven binnen te kunnen gaan:

“Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood” (Op 12:10,11).

Let op wat hier staat: De volgelingen van Jezus hebben het van de aanklager gewonnen, hebben zijn aanklachten overstemd, door zich te laten reinigen van hun zonden en te getuigen van de dood en opstanding van hun heer en verlosser Jezus. Hij staat aan de basis van de overwinning, maar van zijn volgelingen verwacht hij dat zij geen aanleiding geven tot aanklachten vanwege ongerechtigheid na de afwassing van hun zonden. Het is daarom niet van belang te strijden over wie de aanklager is, maar juist dat wij ervan overtuigd zijn dat er geen aanklacht tegen onze heer gevonden kon worden, en dat dit ook zo moet zijn bij zijn volgelingen. In de goddelijke rechtsspraak moet het zo zijn dat elke aanklacht tegen ons als ongegrond verklaard moet kunnen worden als Jezus voor ons pleit.

“Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen”

Zijn predikingswerk confronteert Jezus steeds weer met de gevolgen van de zonde.

Boze geesten’ zijn, in de vorm van ziekten en kwalen en geestelijke afwijkingen, één van die gevolgen, niet de oorzaak. Bij de zonde van de eerste mensen was dit een onderdeel van Gods veroordeling. Toen de discipelen eens enthousiast thuiskwamen en Jezus vertelden dat ook zij ‘boze geesten’ aan zich konden onderwerpen in de naam van Jezus, zei hij tegen hen:

“Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Luc 10:18).

Wat bedoelde Hij daar mee? In Matteüs 12 laat Jezus de tegenovergestelde kant zien van wat de Farizeeën beweren, namelijk:

“Indien ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen” (vs 28).

Het Koninkrijk van God is een samenleving van mensen op aarde die niet zondigen. Dat gaat niet vanzelf, daar is strijd voor nodig: in dit leven door te strijden tegen de verleiding tot zonde in onszelf en door onze omgeving, maar bij de komst van Christus ook door het radicaal uitbannen van zondaars en alles wat tot zonde verleidt. In het onderwerpen van ‘de boze geesten’ (de genezing van ziekten en geestelijke afwijkingen) ziet Jezus de eindoverwinning zich aftekenen: de gevolgen van de zonde worden teniet gedaan op grond van geloof. Telkens vraagt hij mensen die hij geneest niet meer te zondigen (want anders zullen zij een boze geest blijken te hebben in plaats van een geest van heiligheid). Tegen wie niet zondigt, zijn geen aanklachten, beschuldigingen, in te brengen. Christus heeft hen vrijgekocht van de zonde en niemand kan hen meer van hem afnemen: zij zijn zijn rechtmatige buit. Tegen hen ingediende aanklachten zijn dan valse beschuldigingen, en daarvoor is geen plaats. Dat wordt radicaal voorgesteld met dat beeld van de satan die uit de hemel valt.
Er is geen aanklager bij God, of beproever van mensen meer nodig voor wie volmaakt is. Waar de rechtvaardige Job waarschijnlijk zo naar verlangde wordt werkelijkheid.

J.K.D.

Vervolg: Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood

++

Aansluitend

  1. De Voltooiing van de schepping 1 Beproeving – Op weg naar volmaaktheid
  2. Bron(nen) van kwaad
  3. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  4. God meester van goed en kwaad
  5. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
  6. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  7. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  8. Gevallen engelen en hun verblijf
  9. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  10. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
  11. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  12. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  13. Hoe leest u?: Lucifer
  14. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  15. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
  16. Hoe de Satan vandaag rond toert
  17. Wat betreft het “Getal van de duivel”
  18. Satan het kwaad in ons
  19. Essentiële kennis voor de doopkandidaat #3 Over leven en dood
  20. Christus in Profetie 17: Christus in de psalmen – “Toen zei Ik : zie, hier ben Ik”
  21. Betekent eenmaal gered, altijd gered?
  22. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
  23. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  24. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
  25. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens

Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

Wegens het toeschrijven aan een boze geest

“zodat wij geen lust tot het kwade zouden hebben”

God had Israël verlaten wegens hun verzet tegen de heilige Geest, en het toeschrijven van de werking van Zijn kracht aan een boze geest. We moeten echter oppassen dat wij genoegzaam zeggen dat dit hun verdiende loon was, zoals in het verleden is gedaan en helaas nog steeds wordt gedaan.

Paulus maakt duidelijk dat wat Israël van Gods oordelen heeft ervaren, is opgeschreven “ter waarschuwing voor ons”,

“zodat wij geen lust tot het kwade zouden hebben” (1 Kor 10:11 en 6).

Zijn persoonlijke waarschuwing aan wie meent rechtvaardig te zijn – zoals eens de Farizeeën deden – is:

“wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valt” (1 Kor 10:12).

Zonde, heerser, regerend door de dood

Alle mensen hebben gezondigd, geen enkele uitgezonderd – behalve Jezus Christus. Daarom zou Gods oordeel over allen terecht zijn. De bedoeling is echter dat we lering trekken uit wat anderen overkomen is, zodat we niet veroordeeld worden.

“gelijk de zonde als koning heerste in de dood”

Jezus’ woorden gaan daarom nog veel verder. De grootste tegenstander van de mens is niet ‘de satan’, maar de dood. Want de zonde kunnen we overwinnen, maar wie zondigt kan aan de dood niet ontsnappen. Paulus beschrijft hem als een heerser:

“Want, indien door de overtreding van de ene (Adam) de dood als koning is gaan heersen …” (Rom 5:17).

De dood is in algemeenheid een gevolg van de zonde; en die wordt óók voorgesteld als een heerser, regerend door de dood:

“gelijk de zonde als koning heerste in de dood” (Rom 5:21).

Wet van Mozes, bediening van de dood

Paulus noemt de wet van Mozes ‘de bediening van de dood’ (2 Kor 3:7).
Want de wet rechtvaardigt niet, maar leert wat zonde en de straf daarop is (Rom 3:20). Maar met Christus’ offerdood en opstanding is alles anders geworden: Paulus schrijft dat hij (Christus)

“de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie” (2 Tim 1:10).

Hoe? Door vrijwillig (want het doodvonnis over Adam was niet op hem van toepassing) het dodenrijk binnen te gaan, en daaruit tevoorschijn te komen met een veranderd lichaam, dat niet meer door de dood overweldigd kan worden. Zo verschijnt hij aan Johannes met de woorden:

“Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk” (Op 1:17,18).

Wat bedoelt Hij met ‘de sleutels van het dodenrijk’ hebben? De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt het zo:

“… opdat hij (Christus) door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel (diabolos), zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren” (Heb 2:14,15).

Toegepast op Jezus’ woorden in o.a. Matteüs 12:29 (“… hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden?”), is hij zelf dus degene die sterker is dan de zonde en de dood.

J.K.D.

Vervolg: Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil
  2. Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden
  3. Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof
  4. Fundamenten van het Geloof 15 De Rechter en zijn oordeel
  5. Fundamenten van het Geloof 16 Het Koninkrijk van God op aarde

++

Aanvullend

  1. Mishpat in het Hebreeuws en in het Grieks #2 sleutelwoord voor crisis, recht, verordening, voorschrift, rechtspraak of vonnis en oordeel
  2. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
  3. De nacht is ver gevorderd 5 Studie 2 Schrik of troost 1 Dagen van Noach
  4. De nacht is ver gevorderd 6 Studie 2 Schrik of troost 2 Sodom en Gomorra
  5. De nacht is ver gevorderd 7Studie 2 Schrik of troost 3 Rachab
  6. De nacht is ver gevorderd 9 Studie 2 Schrik of troost 5 Menselijke politiek of Gods hand