
Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com
De satan (samenvatting)
De afgelopen twee en een half jaar zijn in ons Nederlandstalig tijdschrift 12 artikelen gewijd aan de betekenis van ‘de satan’ in het Oude en het Nieuwe Testament. Dat lijkt veel, maar het is bij zo’n controversieel onderwerp beter rustig alle passages te bekijken, dan snelle conclusies te trekken. Gezien deze lange tijd en de vele uitleg, is het begrijpelijk als u het gevoel heeft het overzicht een beetje kwijt te zijn. Het lijkt ons daarom goed, alvorens over te gaan tot de betekenis van ‘de duivel’ in het Nieuwe Testament, een (lange) samenvatting te geven van wat we hebben gevonden over ‘de satan’.
Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament
‘Satan’ kan in het Hebreeuws zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Het heeft de betekenis van iemand die tegenover je staat, in de zin van een tegenstander (bijvoorbeeld in de strijd) of de tegenpartij in een rechtszaak (vertegenwoordigd door de aanklager). Het woord komt 32 maal voor, waarvan 14 in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het zijn de volgende plaatsen: Als zelfstandig naamwoord: Numeri 22:22; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:22; 1 Koningen 5: 4; 11:14, 23, 25; 1 Kronieken 21:1; Job hoofdstukken 1 en 2 (14x); Psalm 109:6; Zacharia 3 (3x).
Als werkwoord: Psalm 38:20, 71:13, 109: 4, 20, 29; Zacharia 3:1.
Omdat Gods openbaring in het Oude Testament de basis is voor het verstaan van Zijn heilswerk in Christus, zullen we altijd daarin naar de sleutel moeten zoeken voor het verstaan van de taal en boodschap van het Nieuwe Testament.
Wat opvalt bij het lezen van de genoemde passages, is dat er nergens sprake is van een bovennatuurlijke kwade macht. Het tegendeel is eerder het geval.
In het geval van Bileam in Numeri 22 is een engel van Jehovah zijn ‘satan’, die hem letterlijk in de weg staat, tegenhoudt om te doen wat hij (tegen de wil van God in) van plan is te doen. In het geval van koning Salomo in 1 Koningen 11 is er zelfs sprake van meerdere ‘satans: menselijke koningen. In 1 Samuel 29 zien de Filistijnen David als hun mogelijke ‘satan’ als zij willen uittrekken tegen het Israël van koning Saul; dus als iemand die zich tegen hen zou keren als het eenmaal tot een strijd zou komen. In 2 Samuel 19 beschouwt koning David zijn legeraanvoerders als zijn ‘satans’, omdat zij iets willen doen dat tegen Davids rechtvaardigheidsprincipes ingaat. Koning Salomo zegt in 1 Koningen 5 dat er in zijn rijk vrede heerst, omdat zijn vader alle ‘satans’, menselijke tegenstanders, heeft verslagen in de vele oorlogen die hij voerde. In de Psalmen 38, 71 en 109 spreekt David over mensen uit zijn eigen volk die hem haten, zich tegen hem verzetten en zijn leven belagen.
In 1 Kronieken 21 ligt de zaak wat ingewikkelder. Daar staat:
“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan tot …”.
Maar we mogen voor een verklaring hiervan niet zomaar een opvatting uit later tijd toepassen. We moeten die zoeken binnen de normale betekenis van het gebruikte woord, en aan de hand van andere plaatsen in de Bijbel waar meer gezegd wordt over dezelfde gebeurtenis. Nu staat er in de parallelle passage in 2 Samuel 24:1:
“ … Jehovah… zette David tegen hen (Israël) op …”.
Het is aannemelijk dat de tekst in Samuel ouder is dan in Koningen, mogelijk geschreven door de profeet Nathan, die als geen ander wist wat er rond David gebeurde. In ieder geval kan uit de oorzaak – “de toorn van Jehovah tegen Israël” – niet anders worden geconcludeerd dan dat God Zijn volk duidelijk wilde maken dat het op de verkeerde weg was. We hoeven echter die ‘satan’ in 1 Kronieken ook niet zomaar terzijde te schuiven. Want het gebruikte woord is zeker toepasselijk, omdat het ons brengt tot die andere betekenis, namelijk aanklager.
Ds. F.J. Pop schreef in Bijbelse woorden en hun geheim:
‘Het Hebreeuwse woord voor satan wordt gebezigd voor een figuur uit het Israëlitische recht; de vijandig gezinde aanklager van de rechtbank’.
We zien dit in Psalm 109:6, waar het gaat om een menselijke aanklager in een rechtszaak. In Zacharia 3 is ook sprake van een aanklager, maar hier is hij een figuur in een symbolische rechtszaak, die handelt om de vraag of de tempel in Jeruzalem terecht herbouwd wordt. De werkelijke aanklagers zijn bewoners van het land, die bij de Perzisch-Medische koningen de bouw van de tempel proberen tegen te houden. ‘De satan’ vertegenwoordigt in deze zaak de aanklagers. De engel is de pleiter voor Israël. God doet de uitspraak dat Hij wil dat de tempel wordt herbouwd, omdat Hij “Jeruzalem verkiest”.
Dit brengt ons tot het boek Job. Ook hier is sprake van een symbolische zitting. In dit geval moet hierin Gods rechtvaardigheid worden aangetoond inzake de zegeningen die Hij Job schenkt. Uit het gehele boek blijkt dat zelfs zijn vrienden hem ervan beschuldigen zijn rijkdommen op onrechtvaardige wijze te hebben verkregen. De afgunst van mensen brengen hen tot kwade verdachtmakingen. Maar de beschuldigingen zijn er, en Gods rechtvaardigheid eist dat aan het licht komt of beschuldigingen aan het adres van zijn gunstelingen terecht zijn of niet. De rol van ‘de satan’ in dit boek is dan ook de beschuldigingen uit de omgeving van Job onder Gods aandacht te brengen en vervolgens de beschuldigde te beproeven. In het geval van Job wordt alles wat hij heeft verworven van hem afgenomen, om te zien of hij inderdaad – zoals zijn beschuldigers zeggen – God alleen maar dient omdat Hij hem zoveel geeft, of dat hij Hem ook zonder dat alles trouw blijft. Uit het slot van het boek blijkt het ongelijk van zijn vrienden (‘de satan’ wordt niet meer genoemd!).
Job komt uit zijn beproeving met meer geloof en inzicht. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn werk. Want hij staat in Gods dienst om te onderzoeken of er een smet kleeft aan Gods gunstelingen, en vervolgens hen te beproeven zodat zij gelouterd worden en behouden worden in het oordeel.
Interessant is het gevoel van Job geheel alleen te staan; dat God hem heeft verlaten, en hij dus nergens naartoe kan gaan in zijn nood. Daarom vraagt hij om een middelaar, een pleitbezorger. Dit is van groot belang in het Nieuwe Testament, omdat daar duidelijk blijkt dat God die Pleitbezorger heeft gegeven: Jezus Christus.
De betekenis en lading van het woord in het Nieuwe Testament
Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, zullen we daarom aan de hand daarvan de betekenis van ‘de satan’ in het Nieuwe Testament moeten vinden. Voor een onbevooroordeeld onderzoek is het nodig alles te vergeten wat er wordt gezegd over wie en wat ‘de satan’ is en te lezen wat er in het verband met de rest van het verhaal staat.
Voordat we dit doen moet het volgende worden gezegd:
1. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. In de tijd van de heer Jezus en zijn apostelen waren de Hebreeuwse geschriften (ons Oude Testament) al vertaald in het Grieks. Er waren de ‘Septuaginta’ en de zogenaamde ‘Masoretische’ tekst. Het Grieks kent het woord satan niet. Vertalers (we spreken nu over de ‘Septuaginta’) zoeken dan naar een woord dat dezelfde inhoud heeft als het woord in de oorspronkelijke tekst. Daarvoor zijn zij gekomen op diabolos en de werkwoordsvorm daarvan. De inhoud hiervan is: (be)lasteraar, kwaadspreker, aanklager; vijand, hater. En we herkennen hierin wat we in het Oude Testament zagen over ‘de satan’. Opvallend is overigens dat de vertalers in 1 Koningen 11 ‘satan’ onvertaald hebben laten staan.
2. De taal van de Bijbel is heel bijzonder. We vinden er parallellisme, beeldspraak, maar ook personificatie. Dat is iets abstracts voorstellen als een persoon. We zien dat bij de wijsheid in Spreuken, maar ook bij de zonde en de dood in de brieven van Paulus. En zo is het soms ook met het kwaad, dat wordt voorgesteld als een macht die God en Zijn kinderen vijandig gezind is.
3. Ook was het gevaarlijk om in brieven, die meestal door één of meer personen werden gebracht, openlijk te spreken over de concrete vijanden van Christus die de apostelen bedoelden. Daarom gebruikten zij termen die geen bewijs konden vormen bij een aanklacht, maar voor de gelovigen duidelijk waren. In dit verband ‘satan’ als de Romeinse overheid of de Joodse leiders werden bedoeld.
4. Tijdens de eerste ballingschap is er iets veranderd in de opvattingen van velen in Israël. De profeet Jesaja moest hen waarschuwen dat zij zich in de ballingschap niet mochten inlaten met het idee van de Perzen en Meden, dat er een god is die verantwoordelijk is voor het goede (licht) en een god die verantwoordelijk is voor het kwade (duisternis) dat de mens treft. Maar er is maar één God, die zowel het duister als het licht heeft geschapen. Helaas hebben velen in Israël toch het idee van een kwade macht met goddelijke kracht overgenomen. En zo is het ook het latere christendom ingeslopen.
Maar de verantwoordelijkheid voor het kwade dat de mens doet, wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bij de mens zelf gelegd. In de hof wordt het vonnis over de eerste mens uitgesproken, niet over een satan. Jacobus zegt, om het idee te weerleggen dat, als er maar één God is, je Hem verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat een mens doet:
“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”
En dan zou je – naar de opvattingen van veel Joden en het latere christendom – verwachten dat hij dan ‘de satan’ of ‘de duivel’ aanwijst als degene die de mensen verzoekt, verleidt tot zonde. Maar dat is niet het geval! Integendeel:
“zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.”
De vetgedrukte woorden maken samen duidelijk dat hier geen ander wezen tussenpast. Het komt dus niet voort uit een ‘satan’ die zuigt en verlokt, zodat wij gaan begeren, maar uit onszelf. En dat is een boodschap die de meeste mensen niet graag horen, omdat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor onze zonden, en we dus serieuze stappen moeten doen om daarvan verlost te worden. Alleen dan kunnen we, ondanks Gods onherroepelijke doodvonnis over ons, toch bij de komst van Christus opgewekt worden en eeuwig leven ontvangen. En hoe God dat doet vertelt het Nieuwe Testament ons.
Het woord in het Nieuwe Testament
De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften gebruiken het Hebreeuwse woord satan(as) regelmatig: 36 maal. Het woord diabolos, dat de Septuaginta normaal bezigt, gebruiken deze schrijvers echter precies even vaak (wie er een Concordantie op naslaat zal zeggen dat duivel veel vaker voorkomt, maar in onze vertalingen wordt vaak ‘duivel’ gebezigd waar dat in de grondtekst niet het geval is).
Dat kan twee dingen inhouden: ze zijn voor hen synoniem (en we hebben gezien dat dit regelmatig het geval is), of ze hebben een iets andere betekenis of inhoud.
De verleiding is groot ze samen te behandelen – en dat hebben we in de artikelen gedaan als ze in hetzelfde verband werden gebruikt (samen of in een parallelle passage – maar we hebben gekozen voor een systematische aanpak per woord of begrip. En daarom kijken we in de volgende artikelen naar ‘de duivel’ (diabolos).
Het zou te ver gaan om alle passages in het Nieuwe Testament waarin ‘de satan’ wordt genoemd hier op te sommen, laat staan alles wat we geschreven hebben te herhalen. We kunnen slechts in grote lijnen aangeven wie met ‘de satan’ wordt bedoeld. Wat we in de artikelen hebben gedaan is de oudtestamentische betekenis en inhoud toepassen op alle plaatsen in het Nieuwe Testament waar het woord ‘satan(as)’ wordt gebruikt. Dus het gaat altijd om een tegenstander, vijand, tegenpartij, aanklager. Daarna hebben we bekeken wat of wie er in het verband mee wordt bedoeld of kan bedoeld zijn. Dat is de enige legitieme wijze van (consequente) Bijbeluitleg.
Het is eenvoudig vast te stellen dat een deel van het gebruik van het begrip ‘satan’ betrekking heeft op mensen:
a) Petrus staat Jezus in de weg (Mat 16:23, Mar 8:33).
b) Joden en de Romeinse overheid verzetten zich tegen het geloof in Jezus (2 Kor 2:10, 1 Tes 2:18, Op 2:13, 3:9; mogelijk 2 Kor 12:7).
c) Geestelijke tegenstanders en verleiders oefenen invloed uit op de gelovigen in Christus Jezus. In de gelijkenis van de zaaier worden met ‘de satan’ in Marcus 4:15 de schriftgeleerden en Farizeeën bedoeld, die de woorden van Jezus afdoen als van een zondaar of waanzinnige of zelfs bezetene, zodat het geloof in Jezus van de aanvankelijk enthousiaste mensen verdwijnt. Zie verder Rom 16:20, 2 Kor 11:14, 2 Tes 2:9, 1 Tim 5:15, Op 2:9, 24.
Dan is er de toepassing van het principe dat we bij Job vonden: een functie in Gods louteringsproces. Een volgeling van Christus zou zichzelf steeds vragen als deze moeten stellen:
‘waarom doe ik de dingen die ik doe?’; ‘ben ik altijd bereid te spreken en te handelen zoals God wil, en niet zoals ik denk dat het ook wel kan?’; ‘wat zou ik doen als God iets van mij vraagt dat geheel tegen mijn verwachtingen ingaat, waar ik tegenop zie?’.
Want Gods beproeving is gericht op wat wij menen te hebben en waarin wij denken ‘goed’ te zijn. Ook Jezus werd beproefd: wat zou hij doen met de grote gave en beloften die God Hem had gegeven. Hij moest steeds kiezen wat hij zou doen en hoe (Mar 14:36). Zijn motto daarbij was:
“Niet wat ik wil, maar wat U wilt”.
Als Jezus wordt gedoopt, ontvangt hij het grootste dat God kan schenken: Zijn heilige Geest. Daarbij klinkt een stem
“U bent mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen” (Mar 1:11).
Diezelfde Geest dringt hem ertoe naar de woestijn te gaan (vs. 12). Daar doet ‘de satan’ zijn beproevingswerk, zoals we dat bij Job hebben gezien. Daaruit moet blijken of Jezus het inderdaad waard is Gods Zoon genoemd te worden (en God dus rechtvaardig is in Zijn keuze), en hij in staat is het werk te doen waarvoor God hem uitzendt onder Zijn volk.
Want hij mag niet falen! In de woestijn is niets, en Jezus had ook niets bij zich. De overwegingen en aanvechtingen die hij had, kon hij alleen overwinnen door zijn kennis van Gods wil tot zijn leidraad te nemen:
“Staat er niet geschreven …”.
Want dat zou hij ook moeten doen tijdens zijn werk onder een ongelovig volk, dat zijn werk zou afbreken, Hem zou uitdagen, tarten, vernederen, willen doden. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn taak. Hij had de taak Jezus te testen, en hij heeft die glansrijk doorstaan. In de woestijn, tijdens zijn werk onder het volk, en tijdens zijn aanvechtingen in de tuin van Getsemane en aan het stuk hout.
Vergelijkbaar hiermee is wat Jezus zegt tegen zijn discipelen over dat ‘de satan’ hen heeft willen “ziften als de tarwe” (Luk 22:31). Ziften is het ontdoen van kaf en vuil, zodat alleen de tarwekorrels overblijven. Interessant is dat hier voor het eerst ook de taak van middelaar, pleitbezorger, advocaat, van Jezus zichtbaar wordt:
“Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken”.
Zie verder 1 Kor 5:5, 7:5, 1 Tim 1:20. Dus waar Job om vroeg is nu werkelijkheid geworden.
Lukas 13:16 – De vrouw was vanwege haar bloedvloeiing volgens de wet permanent onrein, en kon dus niet deel nemen aan de dienst voor God. Zij stond overal buiten en kende weinig medelijden van anderen. Niemand kon haar genezen en zij was dus een gebondene, een gevangene die vrijgemaakt moest worden van haar uiteindelijk dodelijke ziekte en het al even dodelijke oordeel van de wet. ‘De satan’ vertegenwoordigt hier het principe van de wet, dat streng en onbarmhartig werd gehandhaafd door de uitvoerders daarvan.
Tot slot de misschien op het eerste gezicht wat lastige passages.
Luk 22:3, Joh 13:27 – De woorden
“toen voer de satan in Judas”
zijn het moeilijkst te begrijpen vanuit de huidige denkwereld. Het kan echter niet zo zijn dat hier het hele idee over een bovennatuurlijke ‘satan’ kan standhouden, als overal (na een eerlijke beschouwing) duidelijk is wie of wat er wordt bedoeld.
Ons inzien kan dit worden verklaard vanuit het besef, dat wat Judas deed het ergste was dat hij kon doen: de heer die hem had gekozen om mee te werken aan de bekering van mensen, zodat zij toegang zouden krijgen tot het eeuwige leven, te verraden om een stuk land voor zichzelf te kunnen kopen. In plaats van hem te verdedigen, voor hem te pleiten, wordt hij zijn tegenpartij, zijn vijand. Niet in een opwelling, maar volgens een weloverwogen plan dat hij heeft bedacht.
Vanuit de denkwereld over het kwaad gebruiken de schrijvers dan ook het sterkste woord om die kwade overlegging en die vijandschap ten volle weer te geven. Zie ook Hand 5:3.
Mat 12:26; Mar 3:23,26; Luk 11:18 – Jezus spreekt zijn beschuldigers toe vanuit hun eigen denkwereld. Dat hij het niet eens is met hun ideeën blijkt uit zijn woorden “En indien …”. Maar hij weet dat het geen zin heeft hen aan te spreken op hun verkeerde opvattingen, omdat zij toch niet van mening veranderen. Wat dat betreft is de situatie in onze tijd niet veel anders. Wat Jezus doet is het beste dat hij kan doen: hen erop wijzen dat hij sterker is dan die ‘satan’ waarin velen zo vast geloven. Mogelijk spreekt Paulus in Handelingen 26:18 ook vanuit de denkwereld van zijn luisteraars, omdat hij dat Perzisch dualisme van duisternis en licht gebruikt.
Openbaring 12:9, 20:2 en 7 – ‘De satan’ is hier de personificatie van mensen die Gods kinderen verleiden tot zonde en hen vervolgen. Het hele boek spreekt over wereldse en verkeerde geestelijk invloeden die naar de christenen uitgaan, en de wereldlijke en kerkelijke machten die het voorzien hebben op de ware gelovigen.
Hun invloed en macht komt echter tot een definitief einde bij de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde, bij de komst van Christus (zie ook Luk 10:18).
Nu kan de vraag worden gesteld:
‘maakt het wat uit dat we weten of er een bovennatuurlijke satan is of niet?’
Het antwoord is:
‘welzeker’.
Want God oordeelt ons niet op grond van wat buiten ons is, maar van wat in ons is. Adam en Eva konden de schuld voor wat zij deden niet afschuiven op iets of iemand anders. En zo kunnen en mogen ook wij dat niet, zoals we zagen in de brief van Jacobus. Onze zonden komen voort uit onze eigen begeerten. Heel Jezus’ verlossingswerk is gebaseerd op de overwinning op die begeerten. Wat wij kennelijk niet (volmaakt) kunnen, heeft hij gedaan. God zei tegen Kaïn dat de zonde als een belager aan de deur ligt, maar waarover wij moeten heersen (Gen 4:7). Hoe zouden wij kunnen heersen over een bovennatuurlijke macht? Wij kunnen wel strijden tegen de zonde, door de verkeerde begeerten in ons te verwerpen, zoals Jezus deed. Jezus zegt aan het eind van zijn leven tegen zijn discipelen:
“Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33).
Dus niet ‘de satan’, maar de wereld. En in zijn eerste brief zegt Johannes dat wij hetzelfde moeten doen door ons geloof, evenals de heer in zijn brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Christus heeft zonde (in welke vorm en uiting ook) en de dood overwonnen. Wij moeten het kwade in ons overwinnen door het goede. Met hulp van de heer is dat mogelijk. Daarvoor geeft hij zijn woord en Geest. Dat is Gods heilsboodschap aan ons.
J.K.D.
+
Voorgaande
- Oorzaak lijden en dood
- Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
- Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
- Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
- Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen
++
Aanvullend
-
- Taal van de Bijbel onder ogen zien
- De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis
- De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer
- Bron(nen) van kwaad
- Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
- Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis
- Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft en gevolgen van haar keuze
- De vrucht van de Ish en Isha
- Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord
- Begrippen satan en duivel in de Bijbel
- De wereld van onbijbelse leer #3
- Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
- Het Geschreven Woord: draak
- De Taal van de Bijbel: De antichrist
- Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
- Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
- Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
- Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
- Dienende geesten 4 Gevallen engelen
- Gevallen engelen en hun verblijf
- Hoe leest u?: Lucifer
- Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
- Is een Demon een op zijn eigen bestaande geest?
- Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
- Media geen werk van Satan, een duivelse engel
- Wie brengt het Kwaad over ons
- Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
- Satan het kwaad in ons
- Hoe de Satan vandaag rond toert
- Amerikaans-Iraanse voorganger Saeed Abedini plaatst omstreden bericht
- Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
- Doemdenkers en ons lijden
- Laatste dagen omroepers
- De Dag is nabij #3 Niet laten verrassen
- Hedendaagse wonderen geen werk van Satan
- De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
- Wat betreft het “Getal van de duivel”
- De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
- God meester van goed en kwaad
- Gedachte voor vandaag: “God vragen tegen de vijanden op te staan” (03 januari)
- Opgeroepen door Jezus
- Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
- Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme
- Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens
- Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #13 Onbegrijpelijk verkeerde voorstelling door het Wachttorengenootschap #2 Koninkrijk van God

