Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

Vrijlating voor gevangenen

Lucas 13:10-17 vertelt de genezing van een vrouw:

“En zie, er was een vrouw, die al achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten”

Jezus geneest haar door zijn handen op haar te leggen, zeggende:

“Vrouw, u bent verlost van uw zwakheid”.

Wat opvalt, is dat hij geen ‘boze geest’ uitdrijft om haar te genezen, en haar ook niet vraagt niet meer te zondigen. Als de overste van de synagoge hem dan verwijt dat hij op sabbat mensen geneest, en de andere aanwezigen blijven zwijgen, vraagt hij hen:

“Huichelaars … moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?”.

Wat bedoelde Jezus hier met ‘de satan’? Een suggestie: als ‘de satan’ de aanklager en beproever is van mensen, zou deze vrouw, net als Job, beproefd kunnen zijn totdat haar verlosser optrad. En toen hij deed wat zij verlangde, kon zij – meer nog dan Job, die alleen maar in hoop naar de toekomst kon kijken – zeggen:

“Ik weet: mijn Losser leeft” (Job 19:25).

De Losser is in Gods heilswerk iemand die een ander loskoopt, vrijmaakt, uit een moeilijke situatie; bijvoorbeeld een weduwe (denk aan hoe Boaz met Ruth trouwt) of een slaaf. De profeet Jesaja moest van God aangeven waaraan de Messias herkend zou kunnen worden. Dé herkenning was dat hij enerzijds een blijde boodschap (= evangelie) zou verkondigen aan ootmoedigen (nederigen van hart) en anderzijds zijn woorden bekrachtigen door daden. Eén van die daden zou zijn:

“voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening van de gevangenis”.

Dat hiermee geen letterlijke gevangenis werd bedoeld – wat kennelijk wel de verwachting van velen in die tijd was – is te zien in het feit dat Jezus tijdens zijn predikingswerk nooit iemand bevrijdde. Integendeel. Het is juist de klacht van Johannes de Doper, dat hij gevangengenomen is en Jezus hem in de cel laat zitten. Hij stuurt nota bene ook nog eens de boden van Johannes terug naar hun meester met de woorden uit Jesaja, dat God hem heeft gezonden

“om aan gevangenen loslating te verkondigen”.

Maar de enige bevrijdingen uit gevangenissen waarvan wij weten, worden in Handelingen vermeld: Eerst worden de apostelen door een engel bevrijd, en later Petrus. De vrijlating van gevangenen heeft daarom in de eerste plaats betrekking op de vrijlating uit de gevangenschap van de zonde en de gevolgen daarvan: ziekte en dood. En dat is wat Jezus, bijvoorbeeld, deed met die krom gegroeide vrouw:

“moest deze vrouw … niet losgemaakt worden van deze band …?”

“de satan doet zich voor als een engel van het licht”

Deze woorden van Paulus worden wel als ‘bewijs’ aangevoerd voor het bestaan van een gevallen engel, die mensen misleidt door zich voor te doen als de Messias. Wij willen echter wijzen op het verband waarin de woorden van 2 Kor 11:15 staan en de conclusie van Paulus. Hij schrijft over mensen die zich voordoen als apostelen, als dienaren van de gerechtigheid. Maar zij prediken een ander evangelie en een andere Jezus, en zijn daarom “bedrieglijke arbeiders”.
Wie waren zij? Vaak tot de gemeente toegetreden Joden, vooral uit de Farizeeën. Dat Paulus hen op het oog heeft, blijkt uit 11:22. Stefanus verwijt de Joodse leiders dat zij zich verzetten tegen de heilige Geest; zij waren dus ‘satans’, tegenstanders van God. Daarom, zo zegt Paulus, zal hun einde zijn naar hun werken (11:15). Geen oordeel over die ‘satan’ die hen misleidde, of over het delen van zijn dienaren in het oordeel over ‘de satan’. ’De satan’ zetelt in Jeruzalem in de vorm van het Jodendom. Degenen die spreken zoals zij zijn die bedrieglijke arbeiders.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser
  2. Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

++

Aanvullend

  1. God meester van goed en kwaad
  2. Niet op vernuftige verzinsels gebaseerd
  3. Hoofdbronnen van afwijkende gedachten
  4. Het Geschreven Woord: Engelen
  5. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
  6. Hoe leest u?: Lucifer
  7. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
  8. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  9. De Zonen van God controverse
  10. Een geïntegreerde benadering van Genesis 6:2 « de zonen van God en de dochters van de mensen »
  11. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  12. Het verkeerd gaan van de mens en God Zijn besluit
  13. Verkondiger Jezus ook de redder
  14. Overdenking: Barmhartigheid wil Ik
  15. De gezindheid van Christus
  16. Het Geschreven Woord: lossing
  17. Tijden van gevangenschap, verbanning en verlossing
  18. Mogen wij geloven in een verlossing
  19. Christus in Profetie #3 De Knecht in Jesaja (3) Gezalfde
  20. Rust vinden onder het juk van Jezus
  21. Verlossing #2 De Bijbelse oplossing

Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten

Personificatie

Maar wie of wat is ‘de duivel’, die de schrijver als ‘verantwoordelijke’ voor de dood aanwijst?

We zagen in 2 Timoteüs dat Paulus hier ‘de zonde’ voor verantwoordelijk stelt. We hebben daarom te maken met begrippen die als synoniemen worden gebruikt. Daarnaast zijn ze ‘personificaties’. Een wijze van zeggen waarbij een abstract fenomeen als een persoon wordt voorgesteld. Hetzelfde zien we in Spreuken bij ‘de wijsheid’, in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs bij ‘de liefde’ (hoofdstuk 13), en zo zijn er veel meer voorbeelden in de Bijbel.

Het zal een ieder duidelijk zijn dat hier geen concrete personen zijn bedoeld (hoewel velen in ‘de wijsheidChristus zien, is daar in Spreuken geen enkele aanleiding toe, en nergens in het Nieuwe Testament wordt daar in verband met Christus naar verwezen). Zo is ook een/de ‘duivel’ geen persoon of wezen, maar een aanduiding voor de zonde of voor wie/wat tot zonde verleidt.

De aanklager is overwonnen

Openbaring 12:7-12 e.v. legt het verband met Lucas 10:18, maar ook met Matteüs 12:29. Want hier vinden we veel terug van wat we daar hebben gezien: de kracht van God, Zijn koningschap (koninkrijk), de satan als aanklager, de overwinning van Christus op de zonde en de dood, de strijd van zijn volgelingen tegen de verleiding tot zonde om het eeuwige leven binnen te kunnen gaan:

“Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood” (Op 12:10,11).

Let op wat hier staat: De volgelingen van Jezus hebben het van de aanklager gewonnen, hebben zijn aanklachten overstemd, door zich te laten reinigen van hun zonden en te getuigen van de dood en opstanding van hun heer en verlosser Jezus. Hij staat aan de basis van de overwinning, maar van zijn volgelingen verwacht hij dat zij geen aanleiding geven tot aanklachten vanwege ongerechtigheid na de afwassing van hun zonden. Het is daarom niet van belang te strijden over wie de aanklager is, maar juist dat wij ervan overtuigd zijn dat er geen aanklacht tegen onze heer gevonden kon worden, en dat dit ook zo moet zijn bij zijn volgelingen. In de goddelijke rechtsspraak moet het zo zijn dat elke aanklacht tegen ons als ongegrond verklaard moet kunnen worden als Jezus voor ons pleit.

“Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen”

Zijn predikingswerk confronteert Jezus steeds weer met de gevolgen van de zonde.

Boze geesten’ zijn, in de vorm van ziekten en kwalen en geestelijke afwijkingen, één van die gevolgen, niet de oorzaak. Bij de zonde van de eerste mensen was dit een onderdeel van Gods veroordeling. Toen de discipelen eens enthousiast thuiskwamen en Jezus vertelden dat ook zij ‘boze geesten’ aan zich konden onderwerpen in de naam van Jezus, zei hij tegen hen:

“Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Luc 10:18).

Wat bedoelde Hij daar mee? In Matteüs 12 laat Jezus de tegenovergestelde kant zien van wat de Farizeeën beweren, namelijk:

“Indien ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen” (vs 28).

Het Koninkrijk van God is een samenleving van mensen op aarde die niet zondigen. Dat gaat niet vanzelf, daar is strijd voor nodig: in dit leven door te strijden tegen de verleiding tot zonde in onszelf en door onze omgeving, maar bij de komst van Christus ook door het radicaal uitbannen van zondaars en alles wat tot zonde verleidt. In het onderwerpen van ‘de boze geesten’ (de genezing van ziekten en geestelijke afwijkingen) ziet Jezus de eindoverwinning zich aftekenen: de gevolgen van de zonde worden teniet gedaan op grond van geloof. Telkens vraagt hij mensen die hij geneest niet meer te zondigen (want anders zullen zij een boze geest blijken te hebben in plaats van een geest van heiligheid). Tegen wie niet zondigt, zijn geen aanklachten, beschuldigingen, in te brengen. Christus heeft hen vrijgekocht van de zonde en niemand kan hen meer van hem afnemen: zij zijn zijn rechtmatige buit. Tegen hen ingediende aanklachten zijn dan valse beschuldigingen, en daarvoor is geen plaats. Dat wordt radicaal voorgesteld met dat beeld van de satan die uit de hemel valt.
Er is geen aanklager bij God, of beproever van mensen meer nodig voor wie volmaakt is. Waar de rechtvaardige Job waarschijnlijk zo naar verlangde wordt werkelijkheid.

J.K.D.

Vervolg: Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood

++

Aansluitend

  1. De Voltooiing van de schepping 1 Beproeving – Op weg naar volmaaktheid
  2. Bron(nen) van kwaad
  3. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  4. God meester van goed en kwaad
  5. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
  6. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  7. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  8. Gevallen engelen en hun verblijf
  9. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  10. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
  11. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  12. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  13. Hoe leest u?: Lucifer
  14. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  15. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
  16. Hoe de Satan vandaag rond toert
  17. Wat betreft het “Getal van de duivel”
  18. Satan het kwaad in ons
  19. Essentiële kennis voor de doopkandidaat #3 Over leven en dood
  20. Christus in Profetie 17: Christus in de psalmen – “Toen zei Ik : zie, hier ben Ik”
  21. Betekent eenmaal gered, altijd gered?
  22. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
  23. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  24. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
  25. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

Photo by Ann H on Pexels.com

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God openbaart Zich als de Heilige, die de zonden niet kan verdragen en deze veroordeelt.
De meeste mensen vrezen God echter niet. Hun denken en doen is gericht op het voldoen aan hun begeerten. Door deze aardse, vleselijke gezindheid is de mens onheilig en een vijand van God geworden:

“… de weg van de vrede kennen zij niet; de vreze (voor) God staat hun niet voor ogen.” (Romeinen 3:17-18)“

… weet u niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand vanGod.” (Jacobus 4:4)

“Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet van God … zij, die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.” (Romeinen 8:7-8)

Wanneer God een Israëliet zijn zegen onthield of in zijn toorn strafte om diens zonde, dan voelde dit alsof God hem tot een vijand was geworden (zieJ ob 13:24; 19:11). Maar God beloofde niet voor altijd te zullen toornen (Ps. 103:9; Jer. 3:12). Hij maakte Zich bekend als barmhartig en vergevend God, die weet dat het vlees zwak is (Ex. 34:6-7; Ps. 78:38-39). Zijn werk is daarom gericht op het beëindigen van de vijandschap tussen Hem en mensen en het maken van vrede met wie van goede wil is:

“Eer aan God in de hoogste (hemelen), en vrede op aarde bij mensen (van) goede wil.” (Lucas 2:14)

“Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt …; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt …” (Romeinen 2:9-10)

“Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.” (Lucas 7:50; 8:48)

God bewerkt deze vrede door de mens met Zich te verzoenen. Verzoening is de manier waarop Hij ons van zonde verlost. Moesten onder het Oude Verbond dierenoffers voor Israël verzoening bewerken, onder het Nieuwe Verbond stelt God het offer van Jezus Christus voor als zoenmiddel:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed …” (Rom. 3:23-25)

“Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden.” (1 Johannes 4:10)

“Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, door dat Hij leeft.” (Romeinen 5:10)

Deze verzoening tot vrede met God is niet alleen bedoeld voor het afgedwaalde volk Israël, maar voor alle mensen, tot welk volk zij ook behoren, en in welke tijd zij ook leven. Gods liefde is universeel:

“Maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen van Israël om vrede te verkondigen door Jezus Christus.” (Handelingen 10:35-36)

“… Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld.”(1 Johannes 2:1-2)

Omdat God tot de komst van Christus, in zijn trouw aan zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob, alleen sprak tot Israël, was de prediking van het evangelie door de apostelen een openbaring voor velen in de heiden wereld. Het offer van Jezus reinigt van zonden en maakt niet alleen een einde aan de vijandschap van zondaars met God, maar ook aan de scheiding tussen Jood en niet-Jood.

“Want het heeft de ganse volheid (God) behaagd in Hem (Christus) woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het kruisbloed, alle dingen weer met zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is. Ook u, die eertijds vervreemd en vijandig gezind was blijkens uw boze werken, heeft Hij thans weer verzoend, in zijn lichaam van vlees, door de dood, om u heilig en onbesmet en onberispelijk voor Zich te stellen.” (Kolossenzen 1:19-22)

“Want Hij (Christus) is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet van de geboden, in inzettingen bestaande,buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf was, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.” (Efeziërs 2:14-16; zie ook 6:15)

De wet maakt onderscheid tussen Joden en heidenen, het geloof in Christus Jezus verbindt hen. De wet leert wat zonde en onreinheid is, zodat de mens Gods heiligheid beseft en Hem vreest. Christus Jezus is het volmaakte voorbeeld van heiligheid, dat de gelovigen voor ogen kunnen houden en navolgen. In hem hebben allen deel aan Gods genade, waarin hij hen met zich verzoent en zijn vrede schenkt:

“Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen tot deze genade, waarin wij staan.” (Romeinen 5:1)

De toestand van vijandschap tussen God en mensen, die ontstond door de zonde van de eerste mens, is in Christus tot een einde gekomen. Hiermee werd niet alleen de situatie in de hof van vóór de zonde hersteld, maar ook het doel, dat God voor ogen had, bereikt: een volmaakt en eeuwig levend wezen maken naar zijn beeld en als zijn gelijkenis, geschikt om Zijn schepping te besturen en te bewaren:

“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft, welk immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen …” (2 Korintiërs 5:17-19)

 

Vraag ter overdenking:
Wat staat er in de brief aan de Filippenzen tegenover de gezindheid van het vlees?

Grote verzoendag

Voor de gelovige Israëliet was Verzoendag de grootste dag van het jaar. De Hogepriester ging met het bloed van een offerdier tot de Verbondsark in het heiligste vertrek van de Tempel om mensen en voorwerpen te reinigen. God beloofde daarbij dat Hij alle zonden en ongerechtigheid, die voor Hem werden beleden, voorgoed zou wegdoen (Lev. 16; 23:23-32; Hebr. 9:6-7; 18-22). Daarna kwam de Hogepriester naar buiten met een zegen voor het volk (Num. 6:22-27). Dit is een afbeelding van Gods heilswerk in Christus. Hij is de Hogepriester die eeuwige verzoening heeft bewerkt (Hebr. 9:8-10; 10:1). Hij heeft zichzelf één maal geofferd en is met zijn eigen bloed de hemel binnengaan. Daaruit verwachten zijn volgelingen hem met de zegen van eeuwig leven (9:11-15). Zijn offer is volmaakt en door God aanvaard om de zonden van alle mensen uit alle tijden, die hem als hun Verlosser verwachten, werkelijk en voorgoed weg te nemen (9:24-26; 10:11-14). Dierenoffers konden dat niet.

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

++

Lees ook

  1. Betreft de Mens
  2. Twee soorten mensen
  3. De Falende mens #2 Vrije keuze
  4. Redding mogelijk voor allen
  5. Reddingsplan
  6. Het eeuwige verbond
  7. Fragiliteit en actie #15 Lossen of Verlossen
  8. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #1 Bedekking Lijden
  9. Vertrouwen in Jezus Christus
  10. Een losgeld voor iedereen 1 De Voorziening van een tweede Adam
  11. Een Messias om te Sterven
  12. De Verlosser 1 Senior en junior
  13. De Knecht des Heren #3 De Gewillige leerling
  14. De Knecht des Heren #4 De Verlosser
  15. De avond dat Jeshua zijn talmidim opdroeg dat de Pascha Seder vanaf die tijd zal worden gevierd ter zijner nagedachtenis
  16. Vergiffenis
  17. Genade heeft te maken met verzoening
  18. Loskoper
  19. Zo maar gerechtvaardigd?
  20. Zalving als teken van verhoging
  21. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  22. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 4 Verzet tegen God en Overeenkomstige prijs
  23. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 5 Toetssteen en steen van aanstoot
  24. Onschuldig Lam
  25. Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2
  26. Messias zoon van David = Verzoening brengend
  27. Hoe heeft Jezus zulk een plezier voor God gedaan
  28. Zoenoffer
  29. Gisteren stierf hij voor mij
  30. Lijden goegemaakt door Jezus’ loskoopoffer voor zonde
  31. Verzoend met God
  32. Verzoening
  33. Verzoening met verbintenis
  34. Onvergeeflijke zonde en berouw
  35. Verscheidene Verbondakkoorden 9 Op het hart geschreven
  36. Actie bij aanvaarding van Redder Jezus
  37. Niet gebonden door labels maar vrij in Christus
  38. God wil u gunst betonen
  39. Verzoening en Broederschap 1 Getrouwheid en vergoeding
  40. Toewijding van ons
  41. Verzoening en de gekochte race
  42. Doopsel en bloedvergieten ter vergeving
  43. Zelfverloochening en witwassen door doop

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Photo by Ann H on Pexels.com

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God beloofde de Verlosser te zijn van wie geloven. In Genesis maakte Hij al duidelijk dat de mens betrokken is bij de tot standkoming van zijn verlossing:

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit (zaad van de vrouw) zal u (slang) de kop vermorzelen en u (slang) zult het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15)

God had voorzien in een nakomeling die een einde zou maken aan de slang, het symbool voor vijandige mensen die Gods kinderen af proberen te houden van eeuwig leven, door hen te verleiden tot zonde. In verband met de gevolgen daarvan deed God een verstrekkende belofte aan Abraham:

“… uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En met uwnageslacht zullen alle volken gezegend worden …” (Genesis 22:16-18)

De apostel Paulus legde in de brief aan de Galaten uit, dat deze beloften aan Abraham in eerste instantie in enkelvoud bedoeld was. Ze hebben betrekking op een bepaalde mens, die uit hem voortkwam:

Christus Jezus (3:16).

Het punt in zijn redenering is, dat ieder mens die in hem gelooft, deel krijgt aan de beloften aan Abraham. Wat betrekking had op de ene mens, Christus Jezus, de ware Zoon van God, krijgt zijn vervulling in veel meer zonen:

“Want u bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus … Indien u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)

Deze beloften werden niet alleen aan het nageslacht van Abraham gegeven, maar ook aan hem persoonlijk. Hij is echter op de door God bepaalde tijd gestorven en tot stof vergaan. Hij is de poort van het dodenrijk (zie Matth.16:16) binnengegaan en is nu in de macht van zijn grootste vijand: de wrede koning dood. Dit houdt in dat God zijn beloften aan hem alleen kan vervullen door hem uit de doden op te wekken (vergelijk Hebr. 11:17-19).

Jezus bewees de noodzaak van de opstanding van Abraham, toen hij wees op het feit dat God in tegenwoordige tijd en niet in verleden tijd tegen Mozes zei, dat Hij de God van Abraham is (Matth. 22:31-33). De belofte aan hem was dat zijn nageslacht de poort van zijn vijanden in bezit zou nemen. In de praktijk van die tijd hield dit in,  dat je de vijand had verslagen en bepaalde wie de stad in mocht en en wie de stad uit moesten gaan. In de belofte aan Abraham betekent het dat de vijanden van God en zijn kinderen zijn verslagen, en dat het beloofde Koninkrijk is gekomen. De nieuwe Koning bepaalt niet alleen wie dat Koninkrijk binnengaan, maar ook het voormalige rijk van koning dood in en uitgaan. De heer Jezus Christus zei over zichzelf:

“… Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik hebde sleutels van de dood en het dodenrijk.” (Openbaring 1:17-18)

Dat hij dood is geweest, houdt in dat hij ook zelf eerst uit de dood bevrijd moest worden:

“… daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft; de dood voert geen heerschappij meer over Hem.” (Romeinen 6:9)

Hij is het domein van de sterkste vijand van de mens binnengegaan en, omdat hij weer levend werd gemaakt door zijn God en Vader, kon hij de poort van binnenuit openen, om allen die in het geloof gestorven zijn en daar machteloos liggen, daaruit te bevrijden. Het beeld van de bevrijding van de ballingen uit Babel, in het boek van de profeet Jesaja, past ook goed bij de verlossing van de zonde en de dood, zoals deze in het NT wordt voorgesteld:

“Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? Maar zo zegt de HERE:

Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit een geweldige … Ik zelf zal uw zonen redden” (Jesaja 49:24-25; vergelijk Mattheüs 12:29).

Hij ‘die in zijn recht is’ was de tiran Nebukadnezar, de koning van Babel. In de brief aan de Romeinen is de tiran van de gelovigen, de dood die als koning is gaan heersen (Romeinen 5:17). Degene die hem heeft bestreden en overwonnen, is Christus Jezus. Hij heeft daarom van de eeuwige God de macht ontvangen mensen te bevrijden uit het dodenrijk, zoals Hij toont bij de opwekking van Lazarus:

“Ik zal u (de Knecht van God) … stellen tot een verbond voor het volk … omtot gevangenen te zeggen: Gaat uit! Tot hen die in de duisternis zijn: Komt tevoorschijn!” (Jesaja 49:8-9; zie ook 42:7 en 61:1)“

… en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen …om verbrokenen heen te zenden in vrijheid. (Lucas 4:19)

“Lazarus, kom naar buiten! … Maakt hem los en laat hem heen-gaan.” (Johannes 11:43-44)

Hij spreekt als een koning tot wie zijn eigendom zijn. Na zijn leven van gehoorzaamheid en kruisdood is hij door God waardig bevonden heer te zijn over al zijn bezit. God gaf hem allen die hij op grond van hun geloof heeft bevrijd uit de macht van de heerser die hij versloeg en als buit meenam:

“Daarom zal Ik hem velen als deel geven en talrijken zal hij als buit ontvangen…” (Jesaja 53:11-12)

Maar vanaf dat moment zijn deze velen geen gevangenen meer, maar tot burgers van zijn Koninkrijk gemaakt. En nu hij bij God in de hemel is, verwachten zij zijn komst met eeuwig leven voor zijn volk:

“Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.” (Filippenzen 3:20-21)

Het is Christus gegeven allen die in hem geloven, in naam van zijn Vader, de enige en waarachtige Verlosser, te bevrijden van de eeuwige vloek van de dood. Hij zal hen door de kracht van God eeuwig leven schenken, door de weg tot de boom des levens, die werd afgesloten door de zonde van de eerste mens, weer te openen.

Niet de dood maar God overwint in Christus:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” (Romeinen 3:23)

“De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning, dood, waar is uw prikkel. De prikkel van de dood is de zonde … Maar God zijdank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.”(1 Korintiërs 15:54-57)

“Wie overwint, hem zal Ik (Christus) geven te eten van de boom des levens…” (Openbaring 2:7)

Dan kunnen de woorden die God sprak na de zonde van de eerste mens, omgedraaid worden:

‘Laat de mens nemen en eten van de boom des levens, opdat hij in eeuwigheid zal leven

 

1ste Vraag ter overdenking:

Hoe is de losprijs betaald om gelovigen te bevrijden van de dood?

2de Vraag ter overdenking:

Op grond waarvan kunnen wij in Christus verlost worden?

 

Christus Jezus en de verhoogde slang

Mozes en de Nehushtan (“Koperslang” of “slang van (het) koper”) aan een kruis, afbeelding uit 1907. – In het verhaal in Numeri 21 staat dat de Israëlieten toen zij tegen JHWH en Mozes ageerden, werden gestraft door giftige slangen. Als zij echter na gebeten te zijn keken naar de bronzen slang, zouden ze niet sterven.

Toen Israël in de woestijn zondigde stuurde God slangen om hen te doden. Wie gebeten was ontkwam niet aan de dood. Maar God trof een voorziening: Mozes plaatste een koperen slang op een paal en wie gelovig daarop de blik richtte, werd verlost van de dood (Num. 21:8-9). Maar niet voor eeuwig.
Jezus vergeleek zijn verhoging aan de houten paal met die van de slang aan de paal. Wie gelovig de blik op hem richt zal voor eeuwig behouden worden, maar wie niet in hem gelooft, is verloren (Joh. 3:14-18)

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Overdenking voor vandaag

++

Aanvullende artikelen

  1. Een goddelijk Plan #4 Beloften
  2. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #1 Abraham de aartsvader
  3. De Verlosser 1 Senior en junior
  4. Verlosser of Messias aangekondigd door Daniël
  5. De Knecht des Heren #4 De Verlosser
  6. Christus in Profetie #2 De Knecht in Jesaja (2) Behoefte aan Verlossing
  7. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  8. Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt
  9. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  10. Zoon van God
  11. Zoon van de levende God
  12. Zoon van God vrijkoper
  13. Zaad van David
  14. Zoon van David
  15. Zoon van God – Vleesgeworden woord
  16. Zoon van God dé Weg naar God
  17. Zoon van God en middelaar
  18. Zoon van God en zijn autoriteit
  19. Zoon van God door God als Zijn geliefde zoon verklaard
  20. Zoon van God geopenbaard
  21. Uw vertroostingen verkwikken mijn ziel
  22. Een lovende ziel voor Hem die troost, geneest, vergeeft, verlost, gaven en recht geeft, rijk aan ontferming
  23. Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof
  24. Uitlopen om uit lichaam te wonen
  25. Aan een betere opstanding deelhebben