
Met ons jonge gezin woonden we in de zeventiger jaren op een Haagse portiek etage. De wasmachine stond in een diepe gangkast en vanwege de goedkooptarief-uren waste ik meestal ’s avonds. Vlak voor we naar bed gingen hing ik de was te drogen aan een rek dat we aan de kamerdeur hingen. De gashaard ging op de spaarstand en halverwege de volgende ochtend was de was droog. Op die manier bleef de wasrekellende zo klein mogelijk. Zomers en zolang mogelijk in de winter hing de was buiten aan de lijnen op de het balkon.


Jarenlang ben ik op die manier met het wasdrogen bezig geweest. Ook toen we groter woonden en een zolder hadden, droogde de was bij nat weer binnenshuis. Het trapgat was de ultieme plek voor de grote dekbedhoezen. Pas heel laat deed de wasdroger zijn intrede en helaas kan ik op ons Delftse bovenhuis niet zonder dat ding. Misschien verklaart alle gedoe rondom het drogen van de was wel mijn voorliefde voor gevulde waslijnen bij anderen. Gisteren in Gubbio zag ik er weer een paar. Maar de grootste voldoening geeft me vandaag toch mijn eigen lijntje in Caldese.





























