Posts tonen met het label vuurtorens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vuurtorens. Alle posts tonen

maandag 23 september 2024

Ren, zeewind, ren



MEI 2023 — Marc Loy bezorgt me een postkaart uit Spanje: uit zee rijst een indrukwekkende rotspartij en in de top ervan piept het vuurtorentje van Albir. Ook omdat enig vuurtorengevoel Marc niet vreemd is, trekt hij naar boven, heel die berg op, ferme klif, ferme klim, je moet maar eens kijken naar de blog van Monique. Marks klim maakt indruk op me en dat doet ook de tekst op het postkaartje, een gedicht, ik wil ‘t vertalen. 
Dat ik daar zo lang mee wacht, komt doordat Willy Spillebeen in 1989 al een bundel met vertalingen van diezelfde Spaanse dichter bijeenbrengt, misschien maakt dit gedicht er deel van uit. (°) Dat boek is niet meer in de handel aanwezig, lang hoop ik dat ik er ergens op stoot, tweedehands, tegen een prijsje, het lukt maar niet. Dus vertaal ik het uiteindelijk toch, uit het Engels weliswaar: De verloren piloot. Het gedicht komt uit de eerste bundel (1924) van Rafael Alberti. Interessante mens, zie ik, nooit eerder van gehoord. Ah, er is zoveel wat ik nog moet leren en er rest zo weinig tijd. (Flor Vandekerckhove)






(°) Gedichten : de zee, de engelen, de ballingschap. Rafael Alberti (auteur), Willy Spillebeen (samensteller). 170 pp. Uitg. De prom. 1989.

dinsdag 17 september 2024

Nu is er de ONE, maar een Baelskaai 1 is daar vroeger nooit geweest

Links wijs ik naar het imposante gebouw op de hoek van Baelskaai en Vuurtorendok, de ONE. Rechts: een historische foto van de huizen die het nieuwe gebouw in zich opneemt. (foto Oededuukker.)



BEETJE bij beetje, en daarin ferm geholpen door wat anderen nog weten, ontdek ik in Oostende de oude Baelskaai in de nieuwbouw. Zo wordt het me geleidelijk duidelijk welke verdwenen huizen het imposante bouwwerk ONE in zich draagt: (1.) het hoekhuis waar ik Het Visserijblad redigeerde (voorheen Vissersverbroedering), (2.) de werkhuizen van Valcke, (3.) smederij St. Martin, (4.) weer Valcke (voorheen SEGE) en (5.) de oude vestiging van SKB (eerder schilderwerken Van Eigen), met dank aan Roland François voor de tussen haakjes staande namen van oudere bedrijven. In de fotomontage in hoofding probeer ik oud en nieuw in één kader te vangen.
Toen ik er woonde, op de hoek van Baelskaai en Vuurtorendok, was dat in huisnummer 2. Een nummer 1 is daar nooit geweest. Oededuukkers zwart-witfoto toont hoe dat komt: daar waar die foto, vooraan links, weelderig groeiend struikgewas toont, kon nog een huis gezet worden, wat nooit gebeurd is. Komt dat doordat al vlug beslist werd daar het Vuurtorendok uit te graven? Waarna we — ge weet hoe we zijn — daar een beetje over speculeren.
Uit enig over en weer geschrijf leer ik dat het lang duurt voor dat dok er effectief komt. Danny Pylyser: 'De werkzaamheden aan het Vuurtorendok zijn gestart in 1976. Het dok was oorspronkelijk bedoeld als ligplaats van de Jetfoil onder P&O. Later is die Jetfoil overgeheveld naar de RMT en het dok heeft nooit voor de Jetfoil gediend.' Willy Dumarey woonde destijds met zijn ouders in de Victorialaan. Foto’s uit ’69, ’73 en 75 tonen inderdaad dat daar in die tijd geen 
Vuurtorendok is. Wat niet wil zeggen dat er niet al langer indringende (voorbereidende?) werken aan de gang konden zijn. Dat vermoeden komt van commentaren op iets wat ik postte over de motorcross in dat gebied. Oud-schepen Jacques Deroo van Bredene: 'Ik was ongeveer 16 en zwom daar in een plas water. Het dok had nog geen randen, de boord liep schuin in het water. Was het 1965 of 1966?’  Dr. Pierre de Maeyer bevestigt, hij komt in 1962 als knaap in Bredene wonen. ‘Eigenlijk heb ik dat uitgegraven dok daar altijd weten liggen. Het was een grote zandput, met centraal daarin vermoedelijk grondwater. Rond dat water was er een strook van een dertigtal meter zand. Na de verschillende beklimmingen van de duinen door de crossers werd het kasseibaantje, dat er nu nog ligt (asfalt), overgestoken en zo naar beneden gedoken om verder helemaal rond het dok-in-wording te rijden, terug over het baantje, naar de startplaats. De crosser op de tweede foto rijdt richting dat baantje, om dan naar beneden te duiken naar het dok. Het bouwen van die kaaimuren heb ik nooit gezien. Dat is zeker van na 1967. ik studeerde toen in Gent en had geen tijd meer om daar rond te hangen. Wat oud-schepen Deroo vertelt over dat zwemmen in die plas, 1965-1966, klopt dus.’ Guido van Landeghem: 'Op de plaats van de vijvers stonden grote bunkers, de waterpartijen vormden zich na afbraak van die bunkers.Besluit: dat water uit de jaren zestig had niets met het Vuurtorendok te maken, dat dok dateert van 1976, hieronder nog een foto van die werken.
Bouw van het Vuurtorendok, 1976.
De e-boeken (pdf) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel)liefkemores@telenet.be.

donderdag 18 juli 2024

Maurice en de god Dionysos: 'uw oude mannen zullen dromen dromen.'

( Maurice Vanbellinghen © Foto Annie Boedt)


HET IS zoals de ondertitel van deze blog zegt: deze vuurtoren belicht de verdwijnende wereld van een babyboomer /soixantehuitard. Die ambitie veronderstelt ook dat ik enig licht op individuen werp die ik wandelend ontmoet en die in mijn kraam passen. Vandaag is dat Maurice Vanbellinghen waarmee ik gisterenmiddag een stonde lang een zitbank onder de vuurtoren deelde.
Lekker weer. Na enig zwemmen-in-zee fietst Maurice, via de Halve Maan⇲, richting overzet om, aan de overkant van de havengeul, in ’t Leeshuuseen stapeltje boeken achter te laten, waarna hij naar de Oosteroever terugkeert om de middag op ’t terras van O.666⇲ af te ronden. Voorgaande zin typeert Maurice als het soort mens dat ikzelf ook wel zou zijn mocht mij nog een greintje sociabiliteit resten.
Maurice is een belezen mens, hij weet veel, hij weet bijvoorbeeld wat Pablisten, Lambertisten, Posadisten zijn. En Healisten! Wat ik op mijn wandelingen anders zelden tegenkom. Hij weet gelukkig ook andere dingen, van Maurice kan ik wel iets leren. Het stapeltje boeken dat hij naar ’t Leeshuus wil fietsen, neem ik daarom op die zitbank van hem over en nu zit ik me thuis af te vragen wat ik ermee kan aanvangen. 
Een van die boeken is van Norman O.Brown en heet Love's Body. (°) Ik ken boek noch schrijver, maar begrijp al vlug dat ik via Normans aforismen in de verraderlijk gespannen netten van het Freudo-Marxisme⇲ terechtkom. Ook omdat het boek in kwestie nog maar een kort leven rest — vergeelde bladzijden, krakend papier, verdorde lijm, loslatende rug — vertaal ik er een citaat uit dat ik zodoende aan de eindigheid van dat boek ontruk, onnutte maar poëtische daad. Maurice zal, denk ik, de laatste zijn om het citaat tegen te spreken en 't geeft ons een gespreksonderwerp voor 't geval we elkaar weer eens aan de vuurtoren ontmoeten. 
Uw jonge mannen zullen visioenen zien, en uw oude mannen zullen dromen dromen; Freud. Deze zijn niet dronken, zoals u veronderstelt. Wonderen en tekenen. De zon veranderde in duisternis en de maan in bloed. Pinksteren is waanzin. De god is Dionysos.

(°) Norman O. Brown. Love’s Body. 1966. Vintage Books. A Division of Random House New York. 277 pp.

maandag 24 juni 2024

Mong De Vos en ik

Mong De Vos en De Laatste Vuurtorenwachter na ’t strandjutten⇲ op weg naar huis.



GE WEET dat ik niet één maar twee vuurtorens te bewandelen heb: Lange Nelle in Oostende en De toren van Bijlaan de Vosseslag, De Haan. Naast die laatste staat een beeld waarover ik iets wil zeggen.
Mong De Vos (2006) is een sculptuur van Martine Labbeke die ook Wachtende vissersvrouw op ’t kerkplein van de Opex in Oostende gemaakt heeft en Mutse de kasseilegger(2010) in Eernegem; drie keer brons, drie keer dezelfde stijl, drie keer volkse figuur. Ze maakt ook aquarellen en ze schrijft bij gelegenheid al eens een gedicht. Vreemd is dat een beeldhouwster die in de streek met drie beelden in ’t openbaar domein aanwezig is nauwelijks sporen op ’t internet nalaat, geen bio, geen website, geen adres, geen bladzijde op Wikipedia, geen foto. Op LinkedIn lees ik dat ze ‘kunstenaar bij Geen meer' is, wat me ’t ergste laat vermoeden.
Het verhaal van Mong De Vos is een sage. De wijk zou zijn naam aan de even roemruchte als folkloristische strandjutter te danken hebben: de Vosseslag is dan ‘De Vos zijn slag, waarbij slag synoniem van weg is (vandaar ook afslag, zijweg) de Vosseslag is de weg waarlangs strandjutter De Vos naar ’t strand trekt. Tot zover wat iedereen denkt.
Nu volgt iets wat alleen ik denk. In mijn hoofd is een slag ook iets waarmee de stroper dieren vangt, een tuig dat dichtslaat. Dan wordt Vosseslag de plek waar De Vos zijn vallen zet. Ik weet niet hoe het komt dat ik dat denk, nergens vind ik iets wat me in deze bevestigt, ook niet in het Vlaams woordenboek dat nochtans met zo’n dingen bezig is. Weet je wat? Ik vraag 't aan professor Magda Devos, geen familie van Mong, wel een van de bezielers van het 
Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, alleen zij kan me op andere gedachten brengen, dat was vroeger al zo en dat is vandaag niet anders. (°)

(°) Van dat Woordenboek van de Vlaamse Dialecten bestaat op ’t net een digitale versie. Die geeft me niet voor de honderd procent gelijk, maar ook niet helemaal ongelijk. Een slag is, lees ik, ook een klem, een voorwerp om muizen, ratten of ander ongedierte te verdelgen, dat bestaat uit een soort stalen beugel met veer, die dichtslaat als het dier erop trapt. Klemmen kunnen verschillen in grootte en precieze vorm, afhankelijk van het dier dat men ermee wil vangen. Het woord werd onder meer genoteerd in Klemskerke en Vlissegem, deelgemeenten van De Haan. De Vosseslag heeft dan misschien niets met dat soort slag te maken, maar zo valt het toch te begrijpen dat ik dat kan denken. En dan is er nog Dirk Corteel die me zegt: In het Westvlaams Idioticon van (priester-leraar) Leonard Lodewijk De Bo staat op blz. 891 ook: "Een vogelknip met een neêrvallend deurtje, is een slag". Misschien heeft Mong De Vos daar dan toch zijn slag gezet!

zaterdag 1 juni 2024

Naar de andere vuurtoren

De wijk Vosseslag. Op de achtergrond ‘de toren van Guillaume Bijl’,


DAGELIJKS wandel ik over en weer naar de vuurtoren. ’t Is iets wat je als De Laatste Vuurtorenwachter hoort te doen, vind ik, zo over & weer naar de vuurtoren. Bij eb doe ik dat wadend door de branding, da’s bevrijdend en gezond
Van dat waden zing ik al eens de lof: hier bijvoorbeeld, daar en ginder, ook in de oneliner De winter uitwaden, in kwatrijnen als De mij resterende taak; en zelfs in het enige liefdesgedicht dat ik ooit schreef: De ontmoeting met de einder.
Wat ik al die tijd listig kon verzwijgen, is dat er aan dat waden ook een nadeel kleeft. Op dat strand, tussen ’t Dunegat van Bredene en de oostelijke strekdam in Oostende, liggen tal van strandhoofden (die we golfbrekers noemen). Bij eb moet de wandelaar die stuk voor stuk passeren en nu komt het: wie door de branding waadt, heeft uiteraard natte voeten, wat maakt dat ik jaarlijks minstens één keer op zo’n golfbreker uitglijd, waaraan ik telkens schaaf- en snijwonden, bulten, bloedende tenen en littekens overhoud, alsmede kommer & kwel, ellende & narigheid. 
Dit jaar is ’t met Sinksen al zover. ZWIEPE! Zie me daar liggen, bloedend als een varken, ferme buil op mijn hoofd, baret in ’t sop, verwoede pogingen ondernemend om weer te been te komen, wat — dat kan elke 75-plusser je wel zeggen — ver van evident is.
Polleke de kat zegt: ‘Je moet naar ’t oosten waden, daar heb je niet zo’n golfbrekers.’ Ik antwoord: ‘Da’s waar, maar ik wil naar de vuurtoren.’ Doordat hij altijd een weerwoord klaarstaan heeft, repliceert Polleke: ‘De Vosseslag heeft ook een vuurtoren.’ Ja, ook dat is waar. Ik werp nog tegen dat de vuurtoren van Guillaume Bijl geen échte is. ‘Geeft niet,’ zegt Polleke, ‘Jij bent ook geen echte vuurtorenwachter. Een valse wachter past perfect bij een valse toren.’ Waardoor het woord bewaarheid wordt dat zegt: de waarheid komt uit een kattenmond.
En zo komt het dat De Laatste Vuurtorenwachter vanaf heden niet één maar twee vuurtorens heeft. Een heet Lange Nelle en ligt aan de oorsprong van mijn nom de plume, daar wandel ik voortaan alleen nog heen als ik mijn voeten droog houd, bij vloed dus, in storm en ontij, in wintertijd… De andere heet ‘de toren van Guillaume Bijl’, daar trek ik nu telkens naartoe als ik het wadend doe.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 20 april 2024

Ziet u daar de torenvalk nog vliegen?

De spiraalvormige, opwaartse vlucht van de torenvalk, an artist impression of course.

SOMMIGE nieuwbouwappartementen op de Oostendse Oosteroever kijken vlak op Lange Nelle uit. Die vis-à-vis⇲ veroorzaakte in’ t verleden al eens heisa, maar nu de herrie geweken is, wil ik de bewoners van die appartementen een vraag stellen: ziet u daar de torenvalk nog vliegen? 
Toen ik, van 1988 tot 1996, op de hoek van Baelskaai en Vuurtorendok woonde, zag ik de torenvalk haast dagelijks. Ik heb hem daar met succes op een grote muis zien jagen — als ’t al geen kleine rat was. Op z’n mooist was hij wanneer hij omheen de vuurtoren cirkelend van beneden helemaal tot boven vloog, waar hij zich in een raamgat nestelde, iets wat ik haast dagelijks te zien kreeg. Die opwaartse spiraal was zo indrukwekkend dat ik nu, zoveel jaren later, op mijn wandelingen nog altijd aandachtig naar de vuurtoren kijk, in de hoop het nog eens te mogen meemaken, tot nu toe vergeefs. Vandaar mijn vraag aan de bewoners: ziet u daar de torenvalk nog vliegen? Niet dezelfde natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar diens nichtje of een achterkleinkind…

Op een dag stonden we oog in oog, de torenvalk en ik, dat ging zo. 
Met een inspecteur mocht ik mee de draaitrap op, tot boven in de toren. Onderweg passeerde ik het raamgat waar de torenvalk aan ’t suffen was. Een kort moment keken we elkaar recht in d’ ogen. We schrokken beiden, maar hij toch meer dan ik. Fladderend haastte hij zich uit de voeten en ik bleef gelukkig staan op mijn voeten, want onder mij was ’t meer dan 300 treden diep.
Nog ’n toemaatje. In 2020 schreef ik een gedicht waarin ‘mijn’ torenvalk een plaats kreeg, want ja, waarde bewoners van de Oosteroever, die vuurtoren en alles wat errond gebeurt, is voor ons altijd al een bron van inspiratie geweest. En ik hoop voor u hetzelfde. Kijk eens naar Mijn laatste internetaankoop.
[386]

maandag 15 april 2024

Mijmeren onder de boeg van de Vindictive

Dagelijks — als ’t niet regent en ik niet te lui ben — wandel ik doorheen de branding tot aan de Oostendse vuurtoren en terug.


KIJK, dit is wat ik nu dagelijks doe: startend aan het Dunegat van Bredene waad ik in de branding over en weer naar Lange Nelle in Oostende, twee keer veertig minuten. En nu moogt ge me tegenspreken, maar door de branding waden is van ’t prettigste wat er is. Iedereen doet ’t ook graag: honden, kleine mensen, grote mensen, jonge mensen, oude mensen, oligarchen, armoedzaaiers, hipsters, trezebezen… ’t Kan haast niet anders of dat het gezond is… En inspirerend is 't ook: The Spirituals maakten er muziek van en zelf heeft het me al menig keer geïnspireerd: in oneliners als De winter uitwaden en De ware waders; ook in een driezinnenverhaal dat gewoon Waden heet; in een kort verhaal als De vuurtorenwatcher; in een mini-essay: Op zoek naar het vuurtorengevoel; in een vignet als Kent u het vuurtorengevoel; in kwatrijnen als De mij resterende taak; en last but not least in het enige liefdesgedicht dat ik ooit schreef: De ontmoeting met de einder.
Ge ziet, naar de vuurtoren trekken is op zichzelf al inspirerend, wadend of niet, vraag het maar aan Virginia Woolf (Naar de vuurtoren, 1927), Jeanette Winterson (Vuurtorenwachter, 2004), Joyce Carol Oates (Poe posthumus; or the light-house, in haar bundel Wild nights!), Jules Verne (Le Phare du Bout du Monde); een crime van PD James (De vuurtoren, 2005)… Mijn lijst is verre van volledig, ge kunt een bibliotheek vullen met alleen maar vuurtorens, zo zijn ook de eilandverhalen van Boudewijn Büch al eens verhalen over vuurtorens. 
Van aan de oostelijke strekdam van de Oostendse haven keer ik weer naar huis, maar eerst pleeg ik daar een wijl te verpozen. Daar zit ik dan, tegen een rotsblok leunend, van zon, zee, zilt en zand te genieten. Wat me dit jaar opvalt is dat ge daar veel Russisch hoort spreken. Daar denk ik dan een beetje over na, gezeten onder de oorspronkelijke boeg van de Vindictive die hoog boven me uittorent. In De Laatste Vuurtorenwachter staat de geschiedenis van dat schip en in ’t Russisch luidt de eerste zin ervan, За время Первой мировой войны 320 подводными лодками было проведено 3274 операции. Wie ’t liever in ‘t Nederlands leest, klikt hier.

 De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.



zondag 31 maart 2024

Heisa

‘Als een prozaschrijver genoeg weet van waar hij over schrijft, kan hij dingen weglaten die hij weet, en de lezer zal, als de schrijver waarachtig genoeg schrijft, een even sterk gevoel van die dingen krijgen alsof de schrijver ze had gezegd. De waardigheid van de beweging van een ijsberg is te danken aan het feit dat slechts een achtste ervan zich boven water bevindt. (Ernest Hemingway in Death in the afternoon)


AL WAT van de heisa overblijft is dit handpalmverhaal van honderd woorden, waarin één keer Luxaflex voorkomt. En hoe is ’t afgelopen? Op een sisser wellicht — is ’t niet altijd zo dat ’t uitloopt op een sisser? De kleinkinderen waaiden het weg als de grootjes er weer over begonnen: ‘Ah’, zeiden de kleinkinderen, ‘dat is allemaal van vroeger.’  ’t was nochtans heftig geweest, we hadden onze rug gerecht, we waren op onze achterste poten gaan staan. Ik ook, zelfs ik had me schrap gezet, iets wat ik anders nooit doe: GEEF ONS ONS VUURTORENLICHT TERUG, hadden we in koor geroepen.

Mijn jongste publicatie is een e-boek dat 200 verhalen bundelt. ’t Zijn extreem korte verhalen, soms drie lijnen, soms maar één; speciaal geschreven voor internetlezers waarvan men zegt dat ze een korte spanningsboog hebben, ’t is dus echte internetliteratuur. Meer: elk van die verhalen kan ‘getagd’ worden, aangeklikt. Wie dat doet komt op m’n YouTubekanaal terecht, waar ik dat verhaal voorlees, declamatie die ik lardeer met beelden en muziek. Eerder had ik al iets soortgelijks gedaan met Gauw!, waarin ik over mijn kindertijd vertel, in dat boek krijgt elk hoofdstuk een tag die de lezer desgewenst naar een muziekje uit het aldaar besproken jaar leidt.

De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

dinsdag 16 januari 2024

Herinneringen aan de Oosteroever, toen nog (Oude) Vuurtorenwijk, a.k.a. de Viertorre

Het rijnschip Arthur loopt van stapel op de helling van scheepswerf Panesi aan het Visserijdok in Oostende. 
Rechts Hendrik Baelskaai, links Vismijn. (Foto Luc, 1958)


TOEN ARNO IN 2009 curator werd van het muzikale luik van Theater aan Zee was er op de Oostendse Oosteroever een fotoshoot. Ik ging kijken. Daar hoorde ik Arno zeggen: ‘Het is alsof de mensen hier allemaal kwaad zijn op elkaar.’
Arno sloeg de nagel op de kop. Zo zagen buitenstaanders ons inderdaad — wij, de velen die 'an de viertorre' werkten en de weinigen die er woonden — alsof we allemaal kwaad op elkaar waren. ’t Had met het zware werk te maken, met gure zeewind NNO, zout op onze huid, roestend ijskoud ijzer en barre werk- en woonomstandigheden. De hoogtijdagen van de Oostendse visserij lagen toen al ver achter ons en als de wijk in die tijd nog iets uitstraalde was het een soort van uitgedoofde verbetenheid om het zolang mogelijk uit te zingen, iets wat in onze manier van spreken, kijken, bewegen (en schrijven) tot uiting kwam. We riepen ook altijd tegen elkaar, om onze stem boven ’t zeegedruis te verheffen en boven ’t gebulder van scheepsmotoren, en we deden dat ook nog als ’t stil was. Waardoor het inderdaad leek alsof we allemaal kwaad op elkaar waren.
Er was niet alleen de kwijnende visserij. Er was ook leegstand, een verlaten diepvriesfabriek, de verlaten scheepswerf van Seghers, een verlaten militaire basis, verlaten dit en verlaten dat. Er was onkruid dat uit de stoep omhoogschoot en door niemand werd verwijderd, houtwerk dat niet langer geschilderd werd, een schoorsteen die aan diggelen gevallen was en daar bleef liggen… Er waren scheepswrakken waarop verworpenen der aarde overnachtten en ook spoten, dingen die het daglicht niet mochten zien. Er waren mensen die al eens een matras aan de kant achterlieten en een kapotte lavabo. Er waren enkelingen die, tegen beter weten in, uit de vaart genomen scheepjes probeerden te renoveren, eerst dagelijks, dan maandelijks, dan nog een enkele keer, dan helemaal niet meer. 
Dat had wel iets, die sfeer, ik hield er wel van, maar ’t kon niet blijven duren. Daar moest ik weer aan denken toen ik gisteren over de Slipwaykaai naar de Buskruitstraat toe wandelde. Het lang geleden al uit de vaart genomen houten vissersvaartuigje Siol dat nu nauwelijks nog aaneenhangt, de twee vervallen scheepshellingen wier aanblik ons valselijk zegt dat ze honderd jaar geleden al in onbruik raakten.
Wat blijft is de herinnering aan een tijd waarvan Arno zei: ‘Het is alsof de mensen hier allemaal kwaad zijn op elkaar.’ Toen hij in 2019 zijn wondermooie Oostende bonsoir op plaat zette, zijn nostalgische lied over de stad, inspireerde die herinnering me om daar een antwoord van de Vuurtorenwijk tegenover te plaatsen: Elk z'n goeienavond.
Flor Vandekerckhove
De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

woensdag 10 januari 2024

New York of de vuurtoren


 

ZOVEEL WOORDEN dat ik destijds nodig had om iets gezegd te krijgen! Dit essay verscheen in april 1993 in Write It Again Sam, soortement fanzine met als ondertitel: ‘Het minst verkochte tijdschrift ter wereld.’ Het tijdschriftje werd op 1000 exemplaren gratis verspreid. Ik zie dat ik toen al dingen onderzocht die ik nog steeds bevraag. Onderweg is het plantje uiteraard gegroeid, ’t is als een bonsaiboompje geleid en bijgesneden, plant die overigens nog steeds aan ’t groeien is, maar de basis werd toen al gelegd: ‘Vanaf nu is er geen kunstcentrum meer — leve het gebied rond mijn vuurtoren!’
Vandaag zou ik dat ongetwijfeld niet meer op die manier schrijven, ik zou er een kritiek op het provincialisme aan toevoegen en ik zou dat alles ook met een pak minder woorden doen, ik heb inmiddels goed leren schaven, maar goed, dit is wat ik toen dacht, dit is hoe ik het in 1993 schreef, met als titel ‘De avant-garde? Welke avant-garde?’ Wie opmerkt dat ik me het begrip avant-garde op oneigenlijke wijze toe-eigen, ziet daar hopelijk ook de humor van in.


HELE GORDEN, ik overdrijf niet, hele gorden kunstenaars steken De Plas over om — al is het maar één keer — door te dringen tot… Om vervolgens tegemoet te komen aan de verwachtingen van de smaakmakers uit het Centrum der Centra, het Meccum der Mecca, de Stad der Steden, de plek waar men maar zijn vinger in de lucht moet steken of er hangt een taxi aan. Naar New York! Zegt het lied van de sympathieke gangster Frank Sinatra niet dat wanneer je het dáár maakt, je het overal kunt maken? En dat doen ze dan ook, die kunstenaars, ze gaan aan de slag en maken hier dingen die daar ook gemaakt worden. Met alles erop en eraan.
New Yorkse kunstenaars weten wel beter. Over dat andere Amerikaanse centrum zegt de sympathieke kinderverkrachter Woody Allen bijvoorbeeld: ‘Het is een schande dat Hollywood op zoveel schermen in de hele wereld te zien is. Er blijft geen enkele ruimte over voor de artistieke of experimentele film. Er moet plaats zijn voor beide, zowel voor de populaire film als voor de meer ambitieuze. Er is een tijd geweest dat bijvoorbeeld de Franse filmmakers met hun film naar de VS kwamen; we wisten dat en we gingen ernaar kijken. Dat was erg verrijkend. Nu is er geen plaats meer voor hen. Het is waar, de hele wereld kopieert de VS, het slechtste van de VS. Ik ben verbijsterd als ik de Mc Donalds zie in Parijs, als ik op jullie schermen de meest banale uitingen van onze “televisiecultuur” zie. Het is schokkend om vast te stellen dat we alleen maar dát uitvoeren.’ En hij vervolgt, ‘Ik zou het een compliment vinden als men mij als een Europese cineast zou beschouwen. De cineasten waar ik het meeste bewondering voor heb, waar ik me het meeste mee verwant voel zijn Europeanen. Ik zou er erg fier op zijn als ik een Europeaan was, alsof dan een utopie gerealiseerd zou zijn. Een goede Amerikaanse film doet me denken aan een lekker dessert. Terwijl een goede Europese film meer op een volledige maaltijd lijkt, die ook voedzaam is. Volgens mij is dat de bedoeling. Ik verkies het op Bergman, Bunuel of Fellini te lijken te mislukken, dan succes te hebben op de populaire markt.’ (1) Een man naar mijn hart dus, die Woody, iemand die me het alibi geeft om niet naar New York te gaan, die me integendeel een goede reden geeft om hier bij mijn vuurtoren te blijven en gewoon te doen wat ik graag doe. 
Goede critici hebben het al een tijdje door. ‘Maar de “Amerikaanse eeuw” waarvan de komst na 1945 zo enthousiast was aangekondigd, is ten einde en zijn verzonken culturele hoofdstad kan niet met wilskracht weer in het leven geroepen worden. New York’s verlies aan levensvatbaarheid als kunstcentrum loopt parallel met gebeurtenissen in een breder verband, op het gebied van politiek, economie en massamedia. Het maakt deel uit van een algemene veroudering van Amerika: de stagnatie, de vrijwillige overgave aan vluchtige beelden en onweersproken opinies van de media. Het hangt samen — niet causaal maar analoog — met het verval van het openbaar leven in Amerika. Maar het wordt ook veroorzaakt door een teruggang indalend voor de schilder- en de beeldhouwkunst, wat weer samenhangt met een… verlaging van het niveau van het onderwijs.’ (2)
Anderzijds heeft heel dat opkijken naar het centrum alles te maken met de gedachte als zou er zoiets als een voorhoede bestaan, een avant-garde, die men achterna hinkt, moet inhalen om zelf avant-garde te worden. Een soort koers dus. Het begrip voorhoede op zijn beurt heeft met ons geloof te maken dat de geschiedenis vooruitgaat en waarbij er groepen zijn die aan de kar van de vooruitgang trekken. Da’s uiteraard maar een denkbeeld. Als gedachte is het ook zeer jong. Het is het beeld van een burgerij die denkt erin te slagen de geschiedenis een doel te geven. Klopt dat beeld ook? Ikzelf zou het niet weten, ik ben Leo Apostel niet. Gaat de boel vooruit? Soms denk ik van wel, dan weer van niet. Het wordt allemaal wel gezegd, maar zelfs dan valt het toch wel te betwijfelen of kunst volgens soortgelijke lijnen vooruitgang maakt: ‘Moeten we onderkennen dat er voor de schone kunsten, voor de esthetiek, geen stroom, loop of trap is aan te wijzen? Alleen maar een ronddobbervijver, waar men vrij mag kiezen waar men het mooiste bootje vindt.’ (3)
Maurice Nadeau zegt daarover: ‘Het idee van de avant-garde (letterlijk: wat voorafgaat en dus door iets gevolgd wordt) ontstond met een nieuwe opvatting over tijd. Vroeger, ik bedoel voor de achttiende eeuw, verliep de tijd lineair, van de eerste scheppingsdag naar de voleinding. De achttiende eeuw introduceerde het idee van evolutie en voortuitgang. Zo kreeg het idee “toekomst” een bevoorrechte positie. Toekomst in vele vormen: die van de onbeperkte vooruitgang in het burgerlijk liberalisme, die van de revolutionaire vooruitgang bij marxisme, surrealisme en existentialisme. Het ging om de mens van morgen. Nou, die mooie ster schittert niet meer zo over dit fin de siècle. De toekomst heeft alle verleidelijkheid verloren, is eerder afschrikwekkend geworden. Je zou kunnen zeggen dat er een crisis van de moderniteit is. Tot nu toe hebben alle beschavingen óf aan het verleden, óf aan de toekomst, óf aan de eeuwigheid een bevoorrechte plaats toegekend. Het heden werd weggemoffeld. Het is heel goed mogelijk dat de literatuur in het aangezicht van de ruïnes van de toekomst het heden gaat ontdekken en exploiteren/Literatuur als celebratie van het moment nu. Wat het idee “avant-garde” vernietigt.’ (4)
Vanaf nu is er geen kunstcentrum meer — leve het gebied rond mijn vuurtoren! Er is geen avant-garde die ons zegt hoe/wat kunst is. We doen en laten wat we willen en misschien doen we het wel met verve.
Flor Vandekerckhove (april 1993)


(1) Woody Allen in Le Monde, geciteerd in DM 2 augustus 1991;
(2) Robert Hughes. ’Kritisch, in vredesnaam kritisch’ op p. 14;
(3) Piet Thoenes. ‘Over vooruitgang’. op p. 23;
(4) Maurice Nadeau. ‘De prins van nachtelijk Parijs’. op p. 74-75. 

woensdag 27 september 2023

Vijf geïnspireerd door Lange Nelle

Wie in ’t licht van de vuurtoren opgroeit, wordt er blijvend door geïnspireerd. Bij mij resulteerde dat al in een gedicht, een essay, in een herinnering, een literaire beginselverklaring en een verhaal. (Flor Vandekerckhove)


  1. Gedicht. In de vuurtoren test de vuurtorenwachter zijn laatste internetaankoop, een schommelstoel. Intussen vergaat de wereld: Mijn laatste internetaankoop
  2. Essay. Wat is dat eigenlijk, wat mensen met vuurtorens hebben? Ik ga te rade bij William Turner en Virginia Woolf: Op zoek naar het vuurtorengevoel
  3. Verhaal dat al in 1988 gepubliceerd werd, in het eerste nummer van cultureel tijdschrift Vivaldi. nu staat het ook in de blog. De vuurtorenwatcher
  4. Herinnering aan onze kinderjaren. Vuurtorens staan voor ‘geborgenheid’, voor ‘licht in de duisternis’, voor de zekerheid dat er een thuis(haven) is: Kent u het vuurtorengevoel
  5. Poëtica. Van deze literaire beginselverklaring bestaan ook politieke, sportieve, landschappelijke en psychosomatische varianten, maar die zijn voor later.: Mijn poëtica

De e-boeken (pdf) van De Lachende Visch zijn gratis. 

Mail erom (en vermeld de titel): liefkemores@telenet.be.





dinsdag 12 september 2023

De vuurtorenwatcher

Hendrik Baelskaai 2. Het huis naast de vuurtoren, waar ik van 1988 tot 1996 gewoond heb. Uit het raam hangt het schilderij 'Madonna zeemeermin' (werk van PIAS). Op de benedenverdieping is het kantoor van Het Visserijblad. Het huis bestaat niet meer. Daar zijn nu luxueuze flats gebouwd, het gebouw heet nu Baelskaai One. 


[Het kortverhaal De vuurtorenwatcher werd in 1988 gepubliceerd, in het eerste nummer van cultureel tijdschrift Vivaldi. Nu, 35 jaar later, staat ’t ook in De Laatste Vuurtorenwachter. Omdat ik inmiddels veel minder woorden nodig heb om iets gezegd te krijgen en ook omdat ik mij achter de ijsbergtheorie van Hemingway schaar, is De vuurtorenwatcher nu veel korter, maar ’t blijft ’t zelfde verhaal; mijn eerste proeve van surrealisme light, besef ik ineens.]


DE JUFFROUW SPREEKT kort en zakelijk: de job is fulltime en ik moet inwonen. Of ik wil langskomen voor de formulieren. Daarna duurt het geen tien minuten voor ik de deur achter me dichttrek en weer tien minuten later sta ik in het bureau. Ik teken en de juffrouw legt uit dat de werkplaats op ’t einde van de kaai ligt, vlak naast de vuurtoren, ‘’t Is daar ongetwijfeld mooi toeven’, zegt ze.
Het regent. Op heel de kaai is maar één mens te zien. Ongeveer mijn leeftijd, misschien iets ouder, gekleed zoals mijn grootvader er destijds bij liep: slobberbroek, dikke zwarte jas, boerenpet, klompen. Regendruppels verzamelen zich op zijn pet en vallen via een geultje op zijn neus, beeld om nooit te vergeten. In ’t passeren groeten we niet. Hij kijkt met al zijn aandacht in het water van het dok.
Het huis waar ik moet inwonen is een oud stapelhuis, gevuld met rommel, en bovenaan, aan de voorkant, een appartementje. De woonst voelt koud aan, als van lang onbewoond, maar de koelkast is vol, er zijn potten en pannen en er is vers linnengoed. Er is een telefoon. Ik slaap de nacht rond.
’s Morgens zie ik de man nog altijd naar het water kijken. Ik ga me voorstellen. ‘Niemand gezien zeker?’ zegt hij als ik naast hem sta. Het klinkt maar half als een vraag. ‘Ik zou maar vlug weer naar het huis gaan,’ zegt hij en met een armgebaar wijst hij me weg. Hij heeft gelijk. Heb ik geen contract getekend? Loop ik buitenshuis niet het risico contractbreuk te plegen? Ik wil nog een en ander vragen, maar zie dat het zinloos is, de man is alweer helemaal in beslag genomen door zijn waterkijkerij. Ik keer terug naar het huis.
Daar ligt nu een brief: Geachte heer, Uw taak bestaat erin bij nachte de vuurtoren te watchen. Zoals de opdracht duurt wordt u maandelijks de som van 30.000 frank overhandigd. Hoogachtend. De juffrouw. 30.000 is niet veel, maar er is toch ook die kost & inwoon. Ik weet niet goed wat watchen is, maar erg moeilijk kan 't niet zijn. Ik plaats het bed voor het raam, zodat ik ’s avonds een goed zicht heb op de drie lange lichtflitsen die om de 10 seconden boven me uitzwaaien. ’s Morgens als het vuurtorenlicht dooft, ga ik slapen en wanneer ik bij ’t ontwaken uit het raam kijk, zie ik telkens weer de man staan die in ’t water staart.
In het begin doe ik dat vuurtorenwatchen achteloos, maar gaandeweg kom ik erg onder de indruk van het vuurtorenritme. Van zodra het licht zich in beweging zet, volg ik dat met aandacht en nooit, ik onderstreep nooit, kan ik in dat stralenspel een hiaat ontdekken. Ik ga niet zeggen dat het een obsessie wordt, maar ik begin me wel met het watchen te vereenzelvigen. Watchen wordt mijn werk, mijn taak, mijn roeping, de vuurtoren wordt de mijne. Tegen ’t einde van dat jaar heb ik me het vuurtorenritme volledig toegeëigend, ik denk niet dat ik nog zonder dat ritme leven kan.
Overdag kijk ik naar de man op de kaai. Het duurt niet erg lang vooraleer ik begrijp dat we collega’s zijn, de man en ik, dat hij een watcher is, net als ik; hij de waterwatcher, ik de vuurtorenwatcher. Twee mannen van weinig woorden, twee die zich hun taak toegeëigend hebben, die zich ermee vereenzelvigen, hij water, ik licht.
Lang zijn we daar de enigen. Wat op een dag verandert. Op de hoek stopt een lijnbus. De chauffeur blijft eerst rustig achter ’t stuur zitten. Na twee uur komt er beweging in de man, hij leunt voorover, hij leunt naar achter. Na vier uur stapt hij uit. Ik zie een leeftijdsgenoot, misschien iets jonger, veel moderner gekleed dan ik, kleren van een tiener. Hij stapt uit en daarna weer in de bus en dan weer uit de bus, maar nu om op de waterwatcher af te stappen. Op een kaai waar anders nooit iets gebeurt, is dit echt een evenement. Geboeid hang ik uit mijn vensterraam. Ik zie hoe de man de kaai afloopt, contact zoekt en ik zie de waterwatcher vermoeid naar hem kijken, hij maakt het gebaar dat hij lang geleden ook bij mij gemaakt heeft, de buschauffeur erop wijzend dat hij naar zijn bus terug moet keren. Die weet dat de waterwatcher gelijk heeft (heeft hij geen contract getekend en loopt hij, zo ver van zijn bus, niet het gevaar contractbreuk te plegen?) In ’t passeren kijkt de chauffeur naar boven, naar mij, hangend uit mijn raam. Ik maak het gebaar van de waterwatcher en wijs de chauffeur naar zijn bus. Wat hij daar te watchen heeft, weet ik niet. Elk zijn ding zeker.

donderdag 16 januari 2014

Op zoek naar het vuurtorengevoel


Bell Rock Lighthouse van William Turner.


























 

‘Vuurtorens zijn objecten uit de wereld van de zeevaart. En als bouwwerk zijn ze resultaat van inspanningen van architecten, ingenieurs en bouwvakkers. In onze verbeelding blijken ze daarenboven ook nog iets anders te zijn.’ Ik sta buiten en een cameraploeg registreert hoe ik bij het uitspreken van die belerende woorden met mijn armen zwaai. We bevinden ons in het Oostendse havengebied, vlak onder de vuurtoren.
De reportage Archibelge (*) heeft het over gebouwen, mensen & hun omgeving en daarin past een item over vuurtorens. Daarin passen ook de woorden waarmee ik dit stuk hierboven aanvat. Ik vertel de reportagemakers nog meer. Ik heb het met hen over een vuurtoren die Bell Rock Lighthouse heet. Die wordt tussen 1807 en 1811 in de Noordzee gebouwd, voor de Schotse kust, bovenop een rif. Ingenieur Robert Stevenson is niet weinig trots op zijn prestatie, de vuurtoren is een van de grootste successen van de moderne bouwtechnieken. Het werk mag gezien worden en in 1819 geeft hij opdracht aan Joseph Mallord William Turner om een frontispice te ontwerpen voor zijn 'Account of the Bell Rock Lighthouse'Stevenson is ook zeer tevreden over het tableautje dat Turner vanuit zijn verbeelding oproept. Het komt vooraan in de brochure te staan, waar het inderdaad een vuurtorengevoel weet op te wekken.
Turner toont ons in die marine een eenheid van tegenstellingen. Er is de zee die overweldigend aanwezig is, met al de imaginaire connotaties die inmiddels de status van cliché hebben: zee staat voor natuur, zee is oermoeder waaruit alle leven voortkomt, zee is het vrouwelijke. Er gaat aantrekkingskracht van uit en ook gevaar. Zee is moeder, minnares en femme fatale. De zee geeft en neemt, zee is eros en thanatos. De vuurtoren is iets heel anders. Je moet al heel ver wegkijken om daar geen fallus in te zien. En wanneer die dan ook nog eens, zoals in Turners schilderij, in een orgasme van hoog opspattend schuim, haast helemaal in zee verdwijnt, is ’t beeld compleet.
Vuurtoren en zee staan tegenover elkaar als man en vrouw, cultuur en natuur, economie en ecologie. Het zijn elementen die elkaar tegenspreken, met een belofte van eenheid; tegenstellingen waarvan we diep in ons hart aanvoelen dat ze overstegen moeten worden. En waar we maar niet in slagen. We ervaren die impasse, zegt Boudewijn Buch, als 'eenzaamheid in haar meest bizarre, dus schoonste gestalte’.
In 1927 publlceert Virginia Woolf To the Lighthouse. Een familie maakt plannen om de nabijgelegen vuurtoren te bezoeken. Het komt er maar niet van. De vrouw des huizes, mrs Ramsay, is al overleden wanneer de tocht naar het rotseilandje uiteindelijk aangevat wordt. De vrouw kan het niet meer meemaken, alhoewel ze bij leven en welzijn door de vuurtoren gefascineerd was, ‘alsof hij met zijn zilveren vingers een of ander compartiment in haar geest streelde, dat, wanneer het open zou barsten, haar met vreugde zou vervullen.’
Mooier kan een belofte van eenheid niet beschreven worden, vind ik. Maar het blijft wel belofte. Hoe zou het ook anders kunnen? Virginia Woolf schrijft haar boek in een tijd waarin de burgerij (of toch het deel ervan dat zich in haar kring bevindt) de eigen waarden in vraag stelt. In vraag stellen? Ja! Oplossen? Neen! Ze heeft het daarover in een brief: ‘Ik bedoelde niets met de vuurtoren. Ik kan me alleen maar op een vage, generaliserende manier met symbolen bezighouden (…) op het moment waarop iemand me vertelt wat iets betekent, wordt het voor mij weerzinwekkend.
Zeedijk Oostende. Rock Strangers van Arne Quinze.

Weerzinwekkend! Aan dat woord moet ik die dag ook denken. Met de filmploeg rijden we oostwaarts, naar ’t Hoog licht in Heist, bouwwerk dat niet weinig vuurtorengevoel weet op te wekken. Samen met een goed ingewijde pharofiel bestijgen we de toren. Helemaal boven kijken we uit op… flatgebouwen die tussen vuurtoren en zee staan. 
Weerzinwekkend inderdaad, net zoals de Rock Strangers van Arne Quinze, op de Zeedijk in Oostende, dat zijn. Ook zij staan op de rand van land en water, waar ze getuigen van de impasse waarin deze maatschappij terechtgekomen is. Voor de burgers die er vlak achter wonen zijn het echt wel hinderlijke beelden. Van zodra die burgers uit het raam kijken, zien ze daar die opdringerige Rock Strangers staan die hen genadeloos wijzen op een genetisch gebrek van het kapitalisme, een maatschappelijke verhouding die niet in staat is de tegenstelling van natuur en cultuur in een synthese te overstijgen. Groots kunstwerk, zou wellicht ook Virginia Woolf gezegd hebben, en 'weerzinwekkend in zijn concreetheid'.

(*) De reeks van drie reportages werd aangekocht door de door de Franstalige televisie en door Canvas. De reportagemakers denken dat de reeks wordt uitgezonden op het einde van 2014.